Inbreng verslag van een schriftelijk overleg

Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken bestond bij enkele fracties de behoefte de minister van Buitenlandse Zaken enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over zijn brief d.d. 8 oktober 2018 inzake het verzoek van PrisonLaw om beëindiging subsidierelatie (Kamerstuk 30 010, nr. 40).

De minister heeft op de vragen en opmerkingen geantwoord bij brief van ... De vragen en opmerkingen van de fracties en de antwoorden van de ministers zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,
Pia Dijkstra

De griffier van de commissie,
Van Toor

I Inbreng van de fracties

Inbreng van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brief van de regering en hebben geen verdere vragen.

Inbreng van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vinden het buitengewoon spijtig dat de relatie tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en PrisonLaw beeindigd wordt. Deze leden zijn van mening dat de inzet van PrisonLaw en mevrouw Imamkhan in het bijzonder van groot belang geweest is in de zaak van Romano van der Dussen, die 12 jaar onterecht in Spanje heeft vastgezeten. Het ministerie wist dit al jaren, maar door een zeer formalistische houding gebeurde er helemaal niets, totdat PrisonLaw zich met de zaak ging bemoeien. Formeel gezien stond het ministerie van Buitenlandse Zaken misschien in zijn recht, maar de uiterst formalistische houding van het ministerie heeft de leden van de CDA-fractie destijds behoorlijk geschokt. Formeel was er geen rol, ook niet toen via een positieve DNA match vast was komen te staan dat de heer Van der Dussen niet schuldig was. Hoewel de leden van de CDA-fractie zowel via schriftelijke vragen als via het overleg met het ministerie aan de bel getrokken hebben, is het tot op heden onduidelijk gebleven wanneer het ministerie wist van de positieve DNA match met de dader, de her Dixie. Is de minister bereid die opheldering alsnog te bieden of handhaaft het ministerie de mistbank die over vele vragen hierover is opgeworpen? Heel concreet is dus de vraag: wanneer wist het ministerie dat er een positieve DNA match was met DNA materiaal uit Engeland?

Hoe kijkt de minister nu terug op deze zaak en welke lessen zijn er geleerd? Hoe worden die in de praktijk gebracht? En heeft het ministerie en/of de minister ooit ook een keer dank uitgesproken richting PrisonLaw, bijvoorbeeld omdat mevrouw Imamkhan persoonlijk de bekentenis van de heer Dixie in de gevangenis van Durham heeft losgekregen? Zo ja, kan de minister dan aangeven waar en wanneer?

PrisonLaw beweert dat er behoorlijke druk is uitgeoefend. Kan de minister aangeven hoe vaak er vanuit het ministerie is gebeld, ge-appt en gemaild is met PrisonLaw in de afgelopen 12 maanden? Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie zeer precieze aantallen en een indicatie van het soort vragen dat gesteld werd aan PrisonLaw.

Verder beweert PrisonLaw dat het ministerie meerdere keren gevraagd heeft om een uitingen in de media te corrigeren of bij te stellen. Klopt dat, en hoe vaak en wanneer is dat gebeurd, vragen de leden van de CDA-fractie. Graag ontvangen zij een complete lijst van gevallen wanneer dit gebeurd is. Heeft PrisonLaw ooit feitelijke onjuistheden beweerd in de pers, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Indien dat het geval is, kan de minister dan voorbeelden geven?

Ook zouden de leden van de CDA-fractie graag de brieven ontvangen die PrisonLaw aan het ministerie geschreven heeft en de antwoorden die daarop gegeven zijn in de afgelopen 12 maanden. Kunt u die overleggen? Hoe beoordeelt de minister het feit dat er wel zeer frequent contact was en ook buiten kantoortijden?

In de zaak van de heer Jaitsen Singh zouden de leden van de CDA-fractie graag een overzicht ontvangen van de bijstand die hem de afgelopen drie jaar is verleend.

Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie of het ministerie bereid is om samen met het bestuur van PrisonLaw een bemiddelaar aan te stellen om te bezien of de relatie hersteld kan worden.

Inbreng van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van het bericht dat PrisonLaw heeft verzocht de subsidierelatie met het Ministerie van Buitenlandse Zaken te beëindigen. De aan het woord zijnde leden hebben in het verleden meerdere malen Kamervragen gesteld betreffende gedetineerden in het buitenland die werden bijgestaan door PrisonLaw, waaronder de heer Singh. Daar zij tevens over deze kwestie nog steeds vragen hebben en deze vragen ook de relatie tussen PrisonLaw en het ministerie van Buitenlandse Zaken betreffen, zijn deze vragen betrokken in onderhavig schriftelijk overleg.

De leden van de D66-fractie lezen dat verschillende zaken van gedetineerden ten grondslag liggen aan het besluit van PrisonLaw om de subsidierelatie te beëindigen. Kan de minister aangeven welke zaken dit zijn geweest? Wat is volgens PrisonLaw in deze zaken de aanleiding geweest dat het vertrouwen in de relatie met het ministerie van Buitenlandse Zaken is geschaad? Hoe duidt de minister deze visie? Graag een toelichting per zaak.

Hoe duidt de minister het gegeven dat PrisonLaw niet langer subsidie van het ministerie van Buitenlandse Zaken wenst te ontvangen, omdat de organisatie onvoldoende vertrouwen heeft in de relatie met het ministerie om juridische bijstand aan Nederlandse gedetineerden in het buitenland onafhankelijk te kunnen verlenen? Kan de minister onderbouwen waarom hij zich niet herkent in de geschetste situatie? Op welke punten wijkt het beeld van het ministerie af van de weergave door PrisonLaw?

De leden van de D66-fractie lezen dat PrisonLaw constateert dat de consulaire bijstand van de Nederlandse overheid aan gedetineerden in het buitenland regelmatig tekortschiet. Hoe duidt de minister deze constatering? Kan hij in het antwoord de bevindingen van de Algemene Rekenkamer in de Resultaten Verantwoordingsonderzoek 2017 voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken betrekken, waarin kritiek werd geuit op het dalende aantal bezoeken aan gedetineerden en waarin knelpunten in de WETS en de WOTS werden aangegeven? Is het mogelijk dat hier een verband tussen zit? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen om de steun aan gedetineerden in het buitenland die met de beëindiging van de subsidierelatie tussen PrisonLaw en het ministerie van Buitenlandse Zaken in het nauw komt. Kan de minister aangeven wat de directe gevolgen zijn van het besluit van PrisonLaw voor gedetineerden in het buitenland? Welke steun dreigt stop gezet te worden en op welke schaal? Is de minister bereid de dienstverlening die door PrisonLaw wordt afgebouwd op te vangen? Zo ja, hoe en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Welke verzoeken zijn door het ministerie van Buitenlandse Zaken aan PrisonLaw gedaan, waar de organisatie vanwege de vertrouwensrelatie met de cliënt en/of de geheimhoudingsplicht niet aan kon voldoen? Hoe is door het ministerie hiermee omgegaan?

De leden van de D66-fractie lezen dat er frictie is ontstaan tussen het ministerie van Buitenlandse Zaken en PrisonLaw in de berichtgeving naar buiten. Klopt het dat het ministerie PrisonLaw onder druk heeft gezet kritische publicitaire uitingen te rectificeren door te verwijzen naar de subsidierelatie? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe verklaart de minister de in de Volkskrant van 2 oktober getoonde citaten uit e-mails en appberichten van ambtenaren van Buitenlandse Zaken aan PrisonLaw?

De leden van de D66-fractie herinneren zich de vrijlating van de heer Van der Dussen in 2016, één van de cliënten van PrisonLaw. Ook deze zaak kwam naar voren in de berichtgeving rondom het stopzetten van de subsidierelatie. Kennelijk is ook rondom deze zaak frictie ontstaan tussen PrisonLaw en het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hoe is dit gekomen? Kan de minister de gang van zaken rondom deze zaak uiteen zetten, met name op het punt waar het mis is gegaan tussen de organisatie en het ministerie? Hoe is voorts door het ministerie van Buitenlandse Zaken gecommuniceerd na de vrijlating van Van der Dussen?

De leden van de D66-fractie brengen de zaak rondom de heer Singh in herinnering. De heer Singh is nog steeds gedetineerd in de Verenigde Staten. Op welke wijze wordt hem momenteel bijstand verleend? Kan de minister de consulaire bijstand aan de heer Singh uit het verleden concretiseren? Hoe vaak is Singh bezocht door medewerkers van de Nederlandse overheid, respectievelijk voor en na 2006? Wat bedoelde de minister met het antwoord op Kamervragen van 21 juli 2017 (2017Z10547), waarin werd gesteld dat consulaire bijstand “niet enkel [bestaat] uit bezoeken aan de gedetineerde, maar omvat ook andere elementen”? Welke “andere elementen” van consulaire bijstand heeft de heer Singh specifiek ontvangen?
Wat bedoelde de minister met het antwoord op Kamervragen van 21 juli 2017 (2017Z10547), waarin hij stelde dat “de bezoekfrequentie aan de heer J.S. in de afgelopen 33 jaar niet altijd constant is geweest”? Kan de minister “niet constant” in deze concretiseren? Wat is concreet het gevolg van de beleidswijzigingen in consulaire bijstand geweest voor de bijstand aan de heer Singh? Hoe rijmt de minister het antwoord op Kamervragen van 21 juli 2017 (2017Z10547), waarin werd gesteld dat wanneer Singh en PrisonLaw van mening zijn dat Nederlandse steun dienstig kan zijn wanneer nieuwe verzoeken (parole en herziening) voorliggen, deze verzoeken weer ondersteund worden door Buitenlandse Zaken, en het feit dat PrisonLaw de banden met Buitenlandse Zaken nu verbreekt? Hoeveel verzoeken tot ondersteuning heeft PrisonLaw gedaan en hoe heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken daarop gereageerd?

Kan de minister zich het antwoord herinneren op Kamervragen van 21 juli 2017 (2017Z10547), waarin werd gesteld dat het in 2000 voor het ministerie van Justitie en Veiligheid “niet in de rede” lag om kennis te hebben van het bestaan van een vertrouwensrapport? Waarom lag dat destijds niet in de rede? Kan de minister zich het antwoord herinneren op Kamervragen van 21 juli 2017 (2017Z10547), waarin werd geschreven dat het miniserie van Buitenlandse Zaken wat betreft WOTS-verzoeken een faciliterende rol vervult gelegen op het terrein van informatievoorziening aan gedetineerden, en in die hoedanigheid de heer Singh “een brochure toestuurde over de WOTS”? Acht de minister dat adequate en afdoende informatievoorziening aan gedetineerden in het buitenland?

Ten slotte brengen de leden van de D66-fractie in herinnering dat de minister van Buitenlandse Zaken eerder aangaf in gesprek te zijn met het ministerie van Justitie en Veiligheid om de knelpunten in de WETS en de WOTS aan te pakken. Hoe vorderen deze gesprekken?

Inbreng van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met teleurstelling kennis genomen van de brief van de minister en de antwoorden op de Kamervragen van de SP over het beëindigen van de subsidierelatie met de stichting PrisonLaw. Weliswaar is dit een voornemen van de stichting PrisonLaw zelf, maar dit kwam niet uit de lucht vallen en is - in ieder geval volgens PrisonLaw - te wijten aan de opstelling van het ministerie van Buitenlandse Zaken, nu er sprake is van een vertrouwensbreuk. Kan de minister reflecteren op de eigen rol van het ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft het ministerie op enigerlei wijze bijgedragen aan het voornemen van de stichting PrisonLaw om de subsidierelatie te beëindigen? Waarom heeft het ministerie van Buitenlandse Zaken zo weinig gedaan om de vertrouwensbreuk met PrisonLaw te voorkomen? Wat is er, sinds het bekend worden van het voornemen van de stichting PrisonLaw om de subsidierelatie te beëindigen, gedaan om te proberen het vertrouwen met PrisonLaw te herstellen?

De leden van de SP-fractie lezen in de brief van de minister dat het ministerie subsidiepartners kan wijzen op feitelijke onjuistheden en in overweging kan geven of voorgenomen acties, waaronder media-optredens, opportuun zijn en in het belang van de zaak. Wie bepaalt of een bepaalde actie opportuun is? Over welke gevallen gaat dit? Interessant is ook dat het er op lijkt dat het ministerie meer dan op slechts ‘de feitelijke onjuistheden’ heeft gewezen. Was het niet vaak zo dat juist bij kritiek op de rol van het ministerie in het verleden (zoals bijvoorbeeld informatie over een bepaalde bezoekfrequentie aan een gedetineerde) geadviseerd werd dit anders te formuleren of van de publicatie af te zien?

Tot slot vragen de leden van de SP-fractie om meer duidelijkheid hoe het goede werk van PrisonLaw voortgezet zal gaan worden. Het zal niet meevallen een vervanger te vinden voor het belangrijke werk dat de stichting heeft gedaan. Hoe gaat het ministerie dat doen? Hoe zal de overdracht plaats vinden? Wat gebeurt er met de huidige cliënten van de stichting PrisonLaw? Wat als er geen geschikte opvolger wordt gevonden, hoe wordt dan in juridische bijstand van de in het buitenland gedetineerde Nederlanders voorzien?

 

II. Reactie van de minister