De Wet Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen (WETS)

Gepubliceerd op maandag 16 januari 2012

Overigens dient aangetekend te worden dat slechts sprake is van een wetsvoorstel en dat de mogelijkheid dientengevolge bestaat dat deze aan wijzigingen wordt onderworpen. Voorts heeft dit artikel alleen betrekking op de uitwerking van de Nederland regering van de Europese wetgeving. Voor een volledig beeld van de nieuwe procedure zal telkens ook de wetgeving van de andere betrokken EU-lidstaat dienen te worden geraadpleegd.

De WETS; korte opsomming van de meest in het oog springende wijzigingen

Wederzijdse erkenning
Het belangrijkste begrip in de strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie is het beginsel van wederzijdse erkenning. Dit beginsel heeft als uitgangspunt dat de Lidstaten elkaars rechtssysteem en rechterlijke uitspraken in een zodanige mate vertrouwen, dat de buitenlandse vonnissen in beginsel worden erkend en ten uitvoer worden gelegd. Bij de huidige WOTS-verzoeken is de Nederlandse overheid niet verplicht om het verzoek in te willigen en zijn de mogelijkheden om te weigeren in principe onbeperkt. Onder de nieuwe EU-wetgeving bestaat in beginsel de verplichting om tot erkenning en tenuitvoerlegging van een onherroepelijk vonnis gewezen in een andere EU-lidstaat over te gaan, tenzij er sprake is van een van de limitatief opgesomde weigeringsgronden.

Zo is bijvoorbeeld nog steeds van belang dat de desbetreffende gedetineerde binding met Nederland heeft. Enkel het bezitten van de Nederlandse nationaliteit is onvoldoende, men moet in beginsel ook direct voorafgaand aan de buitenlandse veroordeling in Nederland woonachtig zijn geweest.

Onder de werking van de nieuwe wetgeving wordt een WETS-verzoek ingeleid door de inzending van het vonnis, vergezeld met een ingevuld certificaat. Indien het certificaat naar het oordeel van de Nederlandse autoriteiten onvoldoende gegevens bevat, wordt de instemming onthouden. Wel dient Nederland in een dergelijk geval de uitvaardigende Lidstaat in de gelegenheid te stellen om het certificaat aan te vullen. Pas nadat het certificaat naar het oordeel van de Nederlandse autoriteiten voldoende gegevens bevat, neemt de termijn waarbinnen de WETS-procedure dient te worden afgerond een aanvang.

Instemming van de veroordeelde niet vereist
Daarnaast is eventuele instemming van de veroordeelde in de meeste gevallen niet vereist, met name indien deze Nederlands onderdaan is en hier voorafgaand aan de veroordeling woonachtig was.

Procedure van voortgezette tenuitvoerlegging
De meest in het oog springende wijziging is dat de tenuitvoerlegging van de straf altijd plaats zal vinden volgens de procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging. Op dit moment bestaan er nog twee procedures, namelijk de omzettingsprocedure (de buitenlandse straf wordt omgezet in een straf die overeenkomt met de Nederlandse strafpraktijk) en de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. Bij die laatste procedure vindt in beginsel geen aanpassing van de straf plaats, tenzij de straf in strijd is met het Nederlands Recht. Hiervan kan sprake zijn indien de buitenlandse straf bijvoorbeeld het Nederlandse wettelijke strafmaximum overschrijdt.

Op de tenuitvoerlegging is het recht van het land van tenuitvoerlegging van toepassing. Nieuw is dat hierbij rekening gehouden mag worden met het tijdstip van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van het land van veroordeling. Op deze wijze wordt getracht te voorkomen dat een gedetineerde na de overbrenging feitelijk een langer deel van zijn straf moet uitzitten dan het geval zou zijn geweest als de straf niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Het is wel van groot belang te weten dat er binnen de Europese Unie een grote verscheidenheid is aan regelingen voor voorwaardelijke of vervroegde invrijheidsstelling. Een groot aantal van deze regelingen wordt niet automatisch toegepast, maar is afhankelijk van een aantal toekomstige en onzekere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan een verklaring van goed gedrag van de gevangenisdirecteur. Ingeval er sprake is van een regeling die niet automatisch wordt toegepast, kan het zijn dat daarmee door Nederland geen rekening kan worden gehouden.

Vastgestelde termijnen
Een laatste belangrijke wijziging is dat er aan de beslissing tot erkenning van een veroordelend vonnis en voor de overbrenging termijnen zijn gesteld. Op dit moment kan het soms twee jaar of langer duren voordat een WOTS-verzoek feitelijk is afgerond. De erkenningsbeslissing dient binnen 90 dagen te worden genomen en de feitelijke overbrenging dient vervolgens binnen een termijn van 30 dagen te hebben plaatsgevonden. Dit is dus een aanzienlijke versnelling van de procedure. De termijn van 90 dagen mag slechts in uitzonderlijke gevallen worden overschreden. Overigens is het van belang om in ogenschouw te nemen dat de termijn van 90 dagen pas begint te lopen nadat Nederland alle benodigde stukken van het desbetreffende EU-land heeft ontvangen. Het is dus niet zo dat binnen een termijn van 90 dagen na het onherroepelijk worden van het buitenlandse vonnis door Nederland een beslissing tot erkenning zal worden genomen. Ook de termijn voor de feitelijke overbrenging mag slechts in onvoorzienbare gevallen worden overschreden.

Overigens lijkt het alsof elke Nederlander die wordt veroordeeld in een andere EU-lidstaat in de gelegenheid wordt gesteld om de straf uit te zitten in Nederland. Dit is echter geenszins het geval. Er kunnen zich situaties voordoen die maken dat de andere Lidstaat besluit om het veroordelend vonnis en het certificaat niet in te zenden naar Nederland. Dit kan het geval zijn indien er sprake is van een veroordeling voor een feit waardoor de rechtsorde van dat land ernstig is geschokt of bijvoorbeeld in het geval er slachtoffers te betreuren zijn geweest. De nieuwe regeling houdt dus geen verplichting in om daadwerkelijk een verzoek te doen tot overname van de straf.

Een individuele gedetineerde kan ook onder de nieuwe regelgeving nog steeds aan de autoriteiten van de Lidstaat waar hij is veroordeeld een verzoek doen om het strafrestant in Nederland uit te zitten.

De inwerkingtreding en toepasbaarheid van de WETS
De implementatietermijn voor het Europees Kaderbesluit is gesteld op 5 december 2011. Het is oorspronkelijk de bedoeling geweest dat alle Lidstaten voor deze datum de eigen nationale wetgeving zouden hebben afgerond. Geen van de EU-lidstaten zal deze termijn echter gaan halen. Het is de verwachting dat de Wet Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen medio 2012 in werking zal treden. De wet is op 24 november 2011 in de Tweede Kamer behandeld. Nederland heeft bovendien een voorbehoud gemaakt bij het Kaderbesluit. Dit voorbehoud houdt in dat de WETS-procedure alleen zal worden toegepast op veroordelingen tot een vrijheidsbenemende straf die na 5 december 2011 onherroepelijk is geworden. Nederlanders die tot die datum in een andere EU-Lidstaat onherroepelijk zijn veroordeeld dienen – indien zij hun strafrestant in Nederland wensen uit te zitten – een WOTS-verzoek in te dienen.

Bovendien zal de nieuwe regeling niet van toepassing zijn op gedetineerden die op grond van een Europees Aanhoudingsbevel aan een andere EU-lidstaat zijn overgeleverd ten behoeve van de strafvervolging. In een dergelijk geval zal de WOTS-procedure van toepassing blijven en kan de straf derhalve worden omgezet naar een straf die overeenstemt met de Nederlandse strafmaat.

De WETS kan bovendien alleen worden toegepast indien zowel Nederland als het land waarin de gedetineerde is veroordeeld het Kaderbesluit hebben geïmplementeerd. Dus ook in het geval in Nederland de Wet Wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen in werking is getreden, zal pas de nieuwe WETS-procedure van toepassing zijn ingeval de EU-Lidstaat waar de veroordeling is uitgesproken ook het Kaderbesluit heeft omgezet in eigen nationale wetgeving. Het kan dus goed mogelijk zijn dat Gelet op de vertraging die is ontstaan bij de totstandkoming van de WETS-procedure, adviseert PrisonLAW in het algemeen om – ingeval men het strafrestant uit een andere EU-lidstaat in Nederland wenst te ondergaan – niet te wachten tot de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving, maar een WOTS-verzoek in te dienen.

Ten slotte dient te worden opgemerkt dat Polen een voorbehoud heeft gemaakt bij dit Kadersbesluit. Dit voorbehoud houdt in dat Polen tot 2016 niet zal meedoen aan de WETS-procedure. Nederlanders die onherroepelijk zijn of worden veroordeeld in Polen zullen dus ook een gebruik moeten blijven maken van de WOTS-procedure.

Er is nog geen duidelijkheid over de voorbehouden die andere landen hebben gemaakt. PrisonLAW zal hiernaar onderzoek doen. Zodra dit onderzoek is afgerond zullen de resultaten daarvan in een nieuwsbericht worden verwerkt.

De erkenningsprocedure in Nederland


De bevoegde autoriteit in Nederland

De bevoegdheid om te beslissen over een vonnis uit een andere EU-lidstaat is in handen gelegd van de Minister van Veiligheid en Justitie. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zal namens de Minister de erkenningsbeslissing nemen. De Penitentiaire Kamer van het Gerechtshof Arnhem zal worden belast met het vaststellen van de kwalificatie van het in het buitenland gepleegde strafbare feit naar Nederlands recht, de eventuele aanpassing van de straf en de toetsing van eventuele weigeringsgronden.

Weigeringsgronden
De weigeringsgronden staan opgesomd in artikel 2:13 en 2:14 van het wetsvoorstel. Er wordt onderscheid gemaakt tussen verplichte weigeringsgronden en facultatieve weigeringsgronden. Bij facultatieve weigeringsgronden kan een verzoek tot overname worden geweigerd. De verplichte weigeringsgronden houden vooral in situaties waarin sprake is van onverenigbaarheid met Nederlands recht. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin de betrokkene reeds in Nederland is veroordeeld voor het onderhavige feit, of in gevallen dat sprake is van verjaring of een andere juridische blokkade van het vervolgingsrecht. Ook ingeval de behandeling van de strafzaak dat ten grondslag ligt aan het veroordelend vonnis in afwezigheid van de betrokkene heeft plaatsgevonden en deze – kortgezegd – niet volgens de aldaar geldende regels voor de terechtzitting is gedagvaard, dient het verzoek te worden geweigerd. Nederland heeft bovendien een voorbehoud gemaakt bij de afschaffing van het vereiste van dubbele strafbaarheid. Dit voorbehoud is tot uitdrukking gebracht in artikel 2:13, eerste lid, onder f. Hierin staat dat de erkenning wordt geweigerd indien het feit waarvoor de vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd, indien het in Nederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn.

De facultatieve weigeringsgronden houden in dat de erkenning geweigerd kan worden indien het feit geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, of het feit buiten het grondgebied van de desbetreffende uitvaardigende Lidstaat zou zijn gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd en indien op het moment van het ontvangen van de rechterlijke uitspraak minder dan zes maanden van de daarbij opgelegde gevangenisstraf nog ten uitvoer moet worden gelegd.

Rechtsbescherming
Er zijn geen mogelijkheden om tegen de beslissing van de Penitentiaire Kamer van het gerechtshof Arnhem in beroep te gaan. Hierbij speelt volgens de Minister het beginsel van wederzijdse erkenning een belangrijke rol. De rol van de Nederlandse autoriteiten wordt hierdoor beperkt, aangezien in beginsel de verplichting bestaat om een veroordelend vonnis van een andere EU-Lidstaat te erkennen en bovendien de straf niet wordt omgezet naar Nederlandse maatstaven maar in zijn geheel wordt overgenomen. Bovendien is de instemming niet meer vereist. Om die redenen voorziet de nieuwe wet niet in een aparte een procedure die de rechtsbescherming van de betrokkene regelt. Overigens bestaat nog wel altijd de mogelijkheid om indien gewenst en noodzakelijk een kort geding aan te spannen tegen de Nederlandse Staat.

Indien u vragen heeft over de WETS, meer informatie wenst of graag juridische bijstand wenst te ontvangen in uw eigen WOTS-zaak, dan kunt u zich wenden tot de Stichting PrisonLAW, Postbus 1595, 1000 BN Amsterdam of per e-mail via info@prisonlaw.nl.