Panama

Artikelindex

Internationale verdragen en geldende mensenrechten

Panama is toegetreden tot de volgende verdragen: het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten in 1977 (IVBPR), The United Nations Convention against Torture and other Cruel and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT ondertekent in 1985 en geratificeerd op 24 augustus 1987) en The American Convention on Human Rights.

2.1 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten
Panama heeft op 8 maart 1977 het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten geratificeerd. Dit betekent dat het verdrag directe werking heeft in het Panamese recht.

In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met het internationale recht.

Onder andere de volgende burgerrechten zijn vastgelegd in het IVBPR: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd wordt en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR is ook vastgelegd dat er een juridische grond nodig is om iemand te kunnen veroordelen voor een bepaald feit.

In het IVBPR wordt tevens het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met het internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits deze straf beperkt wordt tot de meest zware misdrijven. Hieruit moet worden opgemaakt dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden.

Uit de bepalingen van het IVBPR vloeien ook een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden van de reden van arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van detentie te laten bepalen, het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden en het recht om onschuldig gehouden te worden totdat de schuld bewezen is.

Bovendien worden er in het IVPR een aantal minimumgaranties gesteld waar een ieder recht op heeft bij een ingestelde strafvervolging (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht om onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van de vervolging, het recht getuigen te ondervragen en getuigen op te roepen, het recht op een tolk en het recht om niet gedwongen te worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

2.2 The United Nations Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT)
Panama is verdragspartij bij de UN Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT). De afgelopen jaren hebben zich geen meldingen voorgedaan van martelingen in de Panamese gevangenissen. De Verenigde Naties spreekt wel haar bezorgdheid uit over de gevangenisomstandigheden in Panama. Vooral de overbevolking en het gebrek aan medische assistentie en hygiëne zijn volgens de VN factoren die in de gaten gehouden moeten worden. In Panama is er een nationale ombudsman die klachten met betrekking tot de gevangenisomstandigheden en dus ook eventuele martelingen etc. in behandeling neemt.

2.3 The American Convention on Human Rights
The American Convention on Human Rights is een internationaal mensenrechteninstrument en is in 1978 geratificeerd door Panama. Het doel van de conventie is om een positie te creëren van persoonlijke vrijheid en sociale vaardigheid op basis van respect voor de rechten van de mens. In de jaren na het ontstaan van de conventie zijn er aan de conventie nog twee protocollen toegevoegd. Het eerste protocol was het Additional Protocol to the American Convention on Human Rights in the area of Economic, Social, and Cultural Rights en het tweede protocol was het Protocol to the American Convention on Human Rights to Abolish the Death Penalty. Panama heeft beide protocollen geratificeerd.

2.4 Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners
In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. Dit verdrag is niet bindend, maar geeft richtlijnen aan voor de behandeling van gedetineerden en de omstandigheden in gevangenissen.

Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodatie van de gedetineerden (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gedetineerden, de kleding en slaapplekken van gedetineerden, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gedetineerden. Volgens de richtlijnen moet er in iedere gevangenis de mogelijkheid zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gedetineerden contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel richtlijnen zijn. Deze richtlijnen zijn niet van rechtswege afdwingbaar. Overheden zijn niet verplicht zich aan deze richtlijnen te houden.

In 2008 is Panama aangesproken door de VN op grond van het niet naleven van de Standard Minimum Rules for the treatment of Prisoners. Reden voor deze berisping waren de overvolle gevangenissen.

2.5 Controle op de naleving van internationale mensenrechtenverdragen
Door zich aan diverse verdragen als verdragspartij aan te sluiten worden mensenrechtenverdragen in theorie door verschillende landen dikwijls gerespecteerd. De theorie en de praktijk verschillen echter nogal eens. Het is dan ook van belang dat landen gecontroleerd worden op het naleven van de internationale mensenrechtenverdragen. Zo ook Panama.

De United Nations houdt toezicht op de naleving van internationale mensenrechtenverdragen. De verdragspartijen zijn verplicht om regelmatig verslag te doen bij de United Nations over hoe de naleving van het verdrag in de praktijk uitpakt.

In April 2008 heeft de Human Rights Committee een rapport uitgebracht over de naleving van het verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) in Panama. In het rapport zijn als positieve punten de veranderingen op het gebied van wetgeving, in het bijzonder het aannemen van een nieuw wetboek van strafrecht, het afschaffen van bepaalde wetten en het opnieuw bekijken van het wetboek van strafprocesrecht genoemd.

De commissie spreekt echter wel zijn bezorgdheid uit over de behandeling van gedetineerden door politieagenten en bewakers. Vooral in de gevangenissen maar ook ten tijde van de arrestatie wordt er buitensporig geweld gebruikt. De Human Rights Committee vraagt de Panamese Staat om maatregelen te nemen en te zorgen voor een betere behandeling van arrestanten en gevangenen. De Human Rights Committee vraagt tevens om procedures in te stellen voor de vervolging van eventuele politieagenten of ambtsbekleders die zich misdragen. Een tweede punt van bezorgdheid van de commissie zijn de overvolle gevangenissen, slechte gevangenisomstandigheden, slechte hygiëne in de gevangenissen en een schaarste aan medische hulp binnen de gevangenismuren. Daarnaast is de commissie bezorgd over het feit dat veroordeelde en niet-veroordeelde personen bij elkaar in een cel gezet worden. De commissie is daarnaast bezorgd over de lengte van de strafprocedures. Voordat een verdachte bij een rechter is geweest zal deze een lange tijd in voorarrest zitten. De commissie heeft aanbevelingen gedaan aan de Panamese Staat om deze punten te verbeteren.

De Panamese staat heeft aangegeven de aanbevelingen mee te zullen nemen bij toekomstige procedures. In de loop van 2013 zal er een nieuw Human Rights Committee rapport uitkomen over de wel of niet gemaakte vorderingen door Panama.

Er zijn ook andere instellingen die toezicht houden op de naleving van wetten en verdragen door andere landen. Zo houden de Inter-American Commission on Human Rights en de Inter-American Court of Human Rights beiden toezicht op de naleving van de American Convention of Human Rights.

Een ander voorbeeld is de Foreign Relations Organisation van de Verenigde Staten (FAA). Zo staat Panama op de waarschuwingslijst van de FAA over landen die in de gaten moeten worden gehouden met betrekking tot drugshandel. Wanneer de landen op deze waarschuwingslijst zich niet houden aan de anti-drugs maatregelen kunnen er sancties volgen. Panama heeft in de laatste jaren geen sancties opgelegd gekregen, maar staat nog wel op de waarschuwingslijst.

2.6 WOTS-VERDRAG
Tussen Panama en Nederland is er een WOTS-Verdrag getekend en geratificeerd. Op basis van dit verdrag kunnen Nederlanders die in Panama onherroepelijk zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf verzoeken het laatste deel van deze straf in Nederland uit te zitten. De laatste jaren ondervinden Nederlandse gedetineerden in Panama steeds meer problemen met WOTS-verzoeken. Er zijn al meerdere malen WOTS-verzoeken afgewezen. Naar aanleiding van deze problemen zijn er in 2012 en in 2013 Kamervragen gesteld. Recentelijk (nov. 2013) heeft de ombudsman een rapport uitgebracht over de moeizame situatie omtrent de WOTS procedure tussen Nederland en Panama en Venezuela. Er zijn door de ombudsman tevens kritische vragen gesteld aan justitie. Op dit moment wordt er geïnventariseerd of er mogelijke oplossingen zijn voor de problemen die de WOTS procedure tussen Panama en Nederland met zich meebrengt.

Indien u vragen heeft, meer informatie wenst of graag juridische bijstand wenst te ontvangen in een WOTS-verzoek dan kunt u zich wenden tot de Stichting PrisonLAW, Postbus 1595, 1000 BN Amsterdam of per e-mail via info@prisonlaw.nl

Referenties: