Internationale mensenrechtendocumenten

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948)

Op 10 december 1948 werd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) aanvaard. De UVRM is een catalogus van ruim 30 rechten die volgens de Algemene Vergadering voor alle mensen zouden moeten gelden. De UVRM bevat een aantal zeer belangrijke rechten voor gevangenen, waaronder:

  • het recht op leven, vrijheid en onschendbaarheid van zijn persoon (art. 2 UVRM);
  • het recht niet te worden gefolterd of te worden onderworpen aan wrede, onmenselijke of onterende
    behandeling of bestraffing (art. 3 UVRM);
  • het recht niet te worden onderworpen aan willekeurige vrijheidsbeneming (art. 9 UVRM);
  • het recht op een eerlijk proces (art. 10 UVRM);
  • het recht om voor onschuldig te worden gehouden tot het tegendeel bewezen is (art. 11 lid 1 UVRM);
  • het beginsel dat handelingen niet met terugwerkende kracht strafbaar mogen worden gesteld (art. 11 lid 2 UVRM);
  • het recht op privacy (art. 12 UVRM).

De UVRM is een aanbeveling van de Algemene Vergadering en is daarom als zodanig niet bindend. Het was ook niet de bedoeling dat de UVRM bindend zou zijn; de UVRM is bedoeld als een soort gemeenschappelijke minimum-standaard (’common standard of achievement’) van rechten die ieder mens zou moeten genieten. Het feit dat de UVRM als zodanig niet bindend is wil niet zeggen dat het juridisch geen betekenis heeft. Verdedigbaar is namelijk dat in elk geval een groot gedeelte van de rechten uit de UVRM inmiddels tot het internationale gewoonterecht zijn gaan behoren en om die reden door iedere staat gerespecteerd moeten worden. Los van de vraag in hoeverre het juridisch gezien bindende kracht heeft kan men tegenwoordig stellen dat de UVRM inmiddels een dermate hoog aanzien heeft gekregen dat men het moeilijk kan negeren.

Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (1966)

Hiervoor is geconstateerd dat de UVRM als zodanig geen bindende kracht heeft. Men wilde binnen de Verenigde Naties niet volstaan met deze niet-bindende verklaring en er werd daarom gewerkt aan verdragen waarin de mensenrechten uit de UVRM zouden worden uitgewerkt en opgenomen. Dit heeft geresulteerd in de aanvaarding van twee verdragen op 19 december 1966: het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten(IVESCR). Het IVBPR bevat voornamelijk de ’klassieke’ vrijheidsrechten (waarbij de overheid zich met name moet onthouden van ingrijpen), het IVESCR bevat met name ’sociale’ rechten (waarbij de overheid juist actief moet optreden). Voor gevangenen is met name het IVBPR van belang.

Het IVBPR bevat onder andere de volgende rechten:

  • het recht op leven (art. 3 IVBPR);
  • het recht om niet gefolterd te worden en niet te worden onderworpen aan wrede, onmenselijke of
    vernederende behandeling of bestraffing (art. 7 IVBPR);
  • het recht om niet te worden onderworpen aan willekeurige vrijheidsberoving (art. 9 IVBPR);
  • het recht om als gevangene menswaardig te worden behandeld (art. 10 IVBPR);
  • het recht op een eerlijk proces (art. 14 IVBPR), waaronder onder meer is begrepen:
  • het recht op een (zo nodig toegewezen) advocaat
  • het recht op een tolk
  • het recht zonder onredelijke vertraging te worden berecht
  • het recht getuigen op te roepen en/of te ondervragen
  • het zwijgrecht
  • het recht van beroep
  • het recht om voor onschuldig te worden gehouden tot het tegendeel bewezen is;
  • het beginsel dat handelingen niet met terugwerkende kracht strafbaar mogen worden gesteld (art. 15 lid 1 IVBPR);
  • het recht op privacy (art. 17 UVRM).

Het IVBPR is een verdrag en is om die reden bindend voor alle partijen bij het verdrag. Lang niet alle staten hebben echter het verdrag ondertekend, nog minder staten hebben het geratificeerd (bekrachtigd). De rechten toegekend in het IVBPR zijn niet absoluut. Uit de formulering van de rechten van het verdrag moet men de inhoud en reikwijdte van de rechten afleiden. Bovendien bestaan er beperkingsmogelijkheden met betrekking tot vrijwel alle rechten. Ook moet men erop bedacht zijn dat er voorbehouden zijn gemaakt door staten met betrekking tot bepaalde rechten. In een dergelijk geval is de staat wel gebonden aan het IVBPR, maar met uitzonderingen van de bepalingen waarbij een voorbehoud is gemaakt.

Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (1984)

Binnen de internationale gemeenschap heeft men het wenselijk geacht om in aanvulling op hetgeen in de UVRM en het IVBPR omtrent foltering (marteling) en onmenselijke bestraffing is bepaald, een apart verdrag op te stellen. Op 10 december 1984 is het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing aanvaard. Doelstelling van dit verdrag is, zoals de naam al aangeeft, om foltering en andere behandelingen of bestraffingen die in strijd zijn met de menselijke waardigheid tegen te gaan. Het verdrag bepaalt uitdrukkelijk (zie artikel 2 lid 2 van het verdrag) dat geen enkele uitzonderlijke omstandigheid kan worden aangevoerd als rechtvaardiging voor foltering. In het eerste artikel van het verdrag wordt gedefinieerd wat onder foltering moet worden volstaan. Net als het IVBPR is bovengenoemd verdrag bindend voor alle partijen bij het verdrag. Anders dan de IVBPR kent het verdrag geen beperkingsmogelijkheden. Ook kunnen geen voorbehouden worden gemaakt voor wat betreft de ’materiële’ rechten (deze staan in deel I van het verdrag opgesomd). Cruciaal is natuurlijk wel om vast te stellen of een handeling als foltering in de zin van het eerste artikel van het verdrag kan worden aangemerkt. En wederom geldt uiteraard dat het verdrag alleen geldt voor de staten die het verdrag hebben ondertekend en geratificeerd.

Regionale mensenrechtenverdragen

Naast de hierboven genoemde verdragen die in het kader van de Verenigde Naties zijn opgesteld, zijn er op regionaal niveau ook enkele mensenrechtenverdragen tot stand gekomen. Zo is op 4 november 1950 het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden aangenomen. Vrijwel alle Europese staten zijn partij bij dit verdrag. In 1978 is de Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens in werking getreden. Belangrijk is echter op te merken dat de Verenigde Staten geen partij zijn bij dit verdrag. Op Afrikaans niveau bestaat er het Afrikaanse Handvest voor de Rechten van Mensen en Volken, dat in 1981 is aanvaard. Op de continenten Azië en Oceanië is het ondanks meerdere pogingen niet gelukt om een regionaal mensenrechtenverdrag te sluiten. Zoals de term ’regionaal’ al aangeeft gelden de bovengenoemde verdragen niet overal, maar slechts binnen de rechtsmacht van partijen bij de desbetreffende verdragen. Naast de eerder genoemde meer algemene regionale verdragen bestaan er ook regionale verdragen met betrekking tot meer specifieke onderwerpen. Een voorbeeld hiervan is Europese Verdrag ter voorkoming van Foltering.

Afdwingbaarheid van mensenrechten

Uit het voorgaande is gebleken dat er allerlei internationale documenten bestaan waarin mensenrechten zijn vastgelegd. Het is natuurlijk van groot belang om te weten in hoeverre deze rechten kunnen worden afgedwongen.

Voor wat betreft de UVRM is al geconstateerd dat deze verklaring als zodanig geen bindende kracht heeft. Een direct beroep op de UVRM voor een rechter is dus niet mogelijk. Wel kan de UVRM een hulpmiddel of richtsnoer zijn bij de interpretatie van andere rechtsnormen.

Voor wat betreft de hierboven genoemde verdragen geldt dat deze wel bindend zijn voor de staten die partij zijn bij deze verdragen. Het bestaan van bindende normen is echter één ding, het afdwingen ervan een ander. Doorgaans vindt het toezicht op de naleving van mensenrechten plaats op twee niveau’s: in de eerste plaats op nationaal niveau; in de tweede plaats door internationale toezichtsmechanismen. Dergelijke internationale toezichtsmechanismen zijn meestal in de betreffende verdragen zelf vastgelegd. Hieronder zullen de belangrijkste vormen van (juridisch) toezicht op de naleving van mensenrechten worden besproken.

Afdwingbaarheid voor de nationale rechter

Zoals al gezegd leggen verdragen bepaalde verplichtingen op aan staten met betrekking tot de naleving van mensenrechten. De tegenhanger van deze verplichting wordt gevormd door de rechten van het individu. Kan een individu een beroep doen op rechten uit een internationaal verdrag tegenover een staat die partij is bij het betreffende verdrag?

Op deze vraag is niet één antwoord te geven. De situatie verschilt namelijk van land tot land. De vraag in hoeverre internationaal recht doorwerkt in nationaal recht is in beginsel een kwestie van nationaal constitutioneel recht. Of men een beroep kan doen op internationale bepalingen voor een nationale rechter is in principe een vraag die door het nationale recht moet worden beantwoord. Het is derhalve geen automatisme dat een burger zich voor een nationale rechter kan beroepen op internationaal vastgelegde grondrechten. Men maakt grofweg een onderscheid tussen twee systemen van doorwerking van internationaal, waartussen overigens mengvormen bestaan (in zuivere vorm komen beide vormen eigenlijk niet voor).

Aan de ene kant zijn er staten die een zogenaamd ’dualistisch’ stelsel van doorwerking van internationaal recht kennen. In een dergelijk systeem kan men slechts een beroep doen op rechten uit internationale verdragen, voor zover deze zijn omgezet in nationaal recht. Strikt genomen kan men zich dus niet direct beroepen op rechten uit internationale verdragen, maar slechts op de rechten zoals die zijn ’vertaald’ uit de internationale verdragen. Of men zich dus kan beroepen op internationale mensenrechten hangt dus af van de vraag of deze verdragen zijn omgezet in nationaal recht. In de praktijk zijn rechters echter vaak bereid bij de interpretatie van rechtsnormen rekening te houden met de internationale verplichtingen van een staat, ook als deze niet zijn omgezet in nationaal recht.

Aan de andere kant zijn er staten die een zogenaamd ’monistisch’ stelsel van doorwerking van internationaal recht kennen. In een dergelijk stelsel zijn het internationale recht en het nationale recht geen gescheiden stelsels, maar vormen zij één geheel. In dit stelsel kan men voor de nationale rechter een direct beroep doen op rechten vastgelegd in internationale verdragen.

Nederland kent een gematigd monistisch stelsel. Een ieder verbindende bepalingen (bepalingen die voldoende duidelijk en uitgewerkt zijn om door een rechter te kunnen worden toegepast) hebben volgens artikel 93 Grondwet verbindende kracht en hebben op grond van artikel 94 Grondwet voorrang boven nationale wettelijke voorschriften (waaronder de Grondwet!). De meeste bepalingen uit het EVRM en het IVBPR zijn aan te merken als een ieder verbindende bepalingen in de zin van de Grondwet; men kan zich dus in Nederland direct beroepen op deze bepalingen.

Internationale toezichtsmechanismen

Over het algemeen komt men vier vormen van internationaal toezicht tegen bij mensenrechtenverdragen:

Rapportage: veel verdragen kennen de verplichting voor staten om aan een toezichthoudend orgaan te rapporteren wat men doet om aan de verdragsverplichtingen te voldoen. Sommige verdragen kennen een periodieke rapportageplicht; andere verdragen verplichten staten slechts te rapporteren wanneer het toezichthoudende orgaan daarom verzoekt. Het toezichthoudende orgaan kan op basis hiervan vragen stellen en/of advies geven. Doorgaans kan het toezichtsorgaan echter geen bindende maatregelen nemen. Onder het IVBPR hoeft men (naast een eerste rapportage na het eerste jaar) slechts te rapporteren wanneer het Comité voor de rechten van de mens daarom verzoekt. Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing kent een periodieke rapportageplicht; om de vier jaar moet worden gerapporteerd aan het Comité tegen Foltering.

Statenklachtrecht: veel verdragen kennen de mogelijkheid voor staten om klachten tegen andere staten die partij zijn bij het verdrag in te dienen wegens niet-naleving van de bepalingen van het verdrag. Deze klacht wordt dan beoordeeld door een toezichthoudend orgaan, dat dan een (doorgaans niet bindend) advies afgeeft. In de praktijk speelt het statenklachtrecht om twee redenen een zeer beperkte rol. In de eerste plaats is het statenklachtrecht vrijwel altijd facultatief ; dat wil zeggen dat het slechts mogelijk is om klachten in te dienen tegen staten die het statenklachtrecht hebben aanvaard (de klagende staat moet dit recht zelf ook hebben erkend.) Maar zelfs wanneer de mogelijkheid daartoe bestaat, is het heel uitzonderlijk dat er een statenklacht wordt ingediend. Vermoedelijk om politieke redenen zijn staten zeer huiverig om klachten in te dienen tegen andere staten.

Individueel klachtrecht: mensenrechtenverdragen kennen rechten aan burgers toe. Aangezien zij de begunstigden zijn van deze rechten is het logisch hen de mogelijkheid te geven om te klagen over (vermeende) schending van hun rechten. In een aantal verdragen is men er daarom toe overgegaan om een individueel klachtrecht toe te kennen aan burgers. Indien een verdrag een dergelijk klachtrecht toekent kunnen burgers een klacht indienen tegen een staat die partij is bij het verdrag wegens (vermeende) schending van de rechten die het verdrag hen toekent. Deze klacht wordt dan beoordeeld door een toezichthoudend orgaan. Belangrijke voorwaarde is vrijwel altijd dat men eerst alle nationale rechtsmiddelen moet hebben uitgeput.

Het IVBPR en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing kennen een dergelijk individueel klachtrecht. Dit klachtrecht is echter facultatief. Het is slechts mogelijk om individuele klachten in te dienen tegen staten die het individueel klachtrecht hebben aanvaard door ondertekening van een protocol bij het betreffende verdrag, wat door lang niet alle staten is gebeurd. Bovendien is het goed om op te merken dat de betreffende comités geen bindende uitspraken kunnen doen, maar slechts een ’oordeel’ kunnen geven. De betreffende staat kan dit oordeel in principe naast zich neerleggen.

Voor wat betreft de regionale verdragen is het goed om op te merken dat bij zowel het EVRM als de Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens het individueel klachtrecht niet facultatief, maar verplicht is. Het meest ver gaat het EVRM dat een apart Hof (het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, EHRM, in Straatsburg) kent dat bindende uitspraken kan doen. Het EHRM speelt, met name via het individuele klachtrecht, een belangrijke rol bij de mensenrechtenbescherming in Europa.

Zelfstandig onderzoek: een beperkt aantal verdragen kent de mogelijkheid voor het toezichthoudende orgaan om zelfstandig (uit eigen beweging) een onderzoek in te stellen naar de naleving van het betreffende verdrag. In een dergelijk geval kan het toezichthoudende orgaan zelf onderzoek doen naar de situatie in een bepaald land en op basis daarvan een rapport opstellen. Een dergelijk rapport heeft in beginsel geen bindende kracht. Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing kent een dergelijke mogelijkheid in het geval het over betrouwbare informatie beschikt dat in een staat die partij is stelselmatige foltering wordt toegepast. Deze mogelijkheid tot zelfstandig onderzoek kan echter door staten worden uitgesloten.


Geraadpleegde bronnen:

  • M. Dixon en R. McCorquodale, Cases & Materials on International Law, Oxford: Oxford University Press 2003.
  • P.H. Kooymans, Internationaal Publiekrecht in vogelvlucht, Deventer: Kluwer 2000.
  • C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2001.
  • R.M.M. Wallace, International Law, Londen: Sweet & Maxwell 1997.
  • G.J.M. Corstens, Het Nederlandse Strafprocesrecht, Arnhem: Kluwer 2002.