Onderzoek
Transfer of execution of sentence
Julia Moes heeft in oktober 2007 ten behoeve van de stichting en in het kader van haar studie een onderzoek gedaan naar de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen. Haar paper bevat een vergelijking van het Nederlandse recht en het Amerikaanse recht met betrekking tot de manier waarop omgegaan wordt met de overbrenging van de tenuitvoerlegging van buitenlandse straffen. Beide landen stellen voorwaarden aan o.a. de nationaliteit van de gedetineerde, de onherroepelijkheid van de straf en de toestemming van de gevangene. Een groot verschil tussen beide systemen heeft betrekking op de landen waarmee ze bereid zijn een verdrag te sluiten. De Verenigde Staten zijn in principe bereid een verdrag met ieder land te sluiten zolang dit verdrag voldoet aan de eisen die de Verenigde Staten belangrijk vinden. Nederland, daarentegen, moet vertrouwen hebben in het rechtssysteem van het land om er een verdrag mee te sluiten. Nederland wil geen straffen tenuitvoerleggen die in strijd zijn met de fundamentele beginselen van een fatsoenlijk strafproces.
Haar complete paper met de titel transfer of execution of sentence kunt u hier (in het Engels) lezen.
Verdragseis in de Wet Overbrenging Tenuitvoerlegging Strafvonnissen
Renée Engel heeft in het kader van haar studie aan de Juridische Hogeschool Avans-Fontys te ’s-Hertogenbosch bij de stichting PrisonLAW in de periode van februari tot juni 2007 stage gelopen en haar afstudeerscriptie geschreven. Haar scriptie werd door de Hogeschool beoordeeld met een 8. Hieronder een samenvatting van haar onderzoek.
De complete versie van haar scriptie omtrent de Verdragseis in de Wet Overbrenging Tenuitvoerlegging Strafvonnissen vindt u hier.
Samenvatting
De Wet Overbrenging Tenuitvoerlegging Strafvonnissen is op 1 januari 1998 in werking getreden, nadat bleek dat de internationale samenwerking met betrekking tot de internationale rechtshulp zich sterk aan het ontwikkelen was. In de Wet Overbrenging Tenuitvoerlegging Strafvonnissen is een bepaling opgenomen, waarin staat dat overbrenging van de tenuitvoerlegging van een buitenlands strafvonnis slechts krachtens een verdrag kan plaatsvinden. Op het moment dat er een verdrag gesloten wordt tussen Nederland en een derdeland, belichaamt dit verdrag het vertrouwen van Nederland in het rechtssysteem van het derdeland.
Nederland heeft met veel landen nog geen verdrag. Het nadeel hiervan is dat veel Nederlandse gedetineerden geen mogelijkheid hebben om hun straf uit te zitten in een Nederlandse gevangenis omdat zij zich bevinden in een niet-verdragsland. Dit in tegenstelling tot hun landgenoten die deze mogelijkheid wel hebben, aangezien zij zich simpelweg bevinden in een land waar Nederland wél een verdrag mee heeft.
Dit onderzoek richt zich op de vraag wat de gedachte is achter het verdragsvereiste van artikel 2 van de Wet Overbrenging Tenuitvoerlegging Strafvonnissen, of er alternatieven zijn voor de verdragseis en wat de voor-en nadelen daarvan zijn. Het blijkt dat Nederland alleen buitenlandse strafvonnissen ten uitvoer wil leggen als deze tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de fundamentele beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Op het moment van overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis, erkent Nederland het vonnis. Dit heeft als gevolg, dat wanneer het vonnis discutabel tot stand is gekomen, Nederland aansprakelijk gesteld kan worden door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Nederland wil dit voorkomen en blijft op het standpunt dat zij alleen de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen overneemt, als met dat land een verdragsrelatie bestaat. Die verdragsrelatie kan voortkomen uit ad hoc verdragen, multilaterale verdragen of uit bilaterale verdragen.
Op deze patstelling te doorbreken is er onderzoek gedaan naar de alternatieven voor de verdragseis. Andere landen zoals België, de Verenigde Staten, Zwitserland en Duitsland, die ook partij zijn bij het Verdrag Overbrenging Gevonniste Personen, het belangrijkste verdrag voor overbrenging van gevangenen, hebben allen een andere invulling gegeven aan hun nationale beleid. Zwitserland en Duitsland hanteren geen verdragseis. Wel hebben zij voorwaarden gesteld aan de overbrenging van de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen. Zo heeft Duitsland de voorwaarde dat strafvonnissen niet tot stand mogen zijn gekomen in strijd met het EVRM. Op het eerste gezicht lijkt dit een goed alternatief voor de Nederlandse situatie. Echter, deze procedure levert een aantal bezwaren op. De buitenlandse strafvonnissen moeten getoetst worden en dit kan, op het moment dat het geweigerd wordt, de diplomatieke betrekkingen tussen twee landen ernstig verstoren. Ook komt de rechterlijke onafhankelijkheid in het gedrang wanneer een Nederlandse rechter een politiek gevoelige beslissing moet maken. Een ander alternatief is het sluiten van ad hoc verdragen. Het voordeel hiervan is dat deze van korte duur zijn en er geen parlementaire goedkeuring nodig is. Het nadeel van ad hoc verdragen is dat de rechtsgelijkheid in gevaar komt.
Om tot een samenleving te komen, waarin iedereen zijn straf in eigen land kan uitzitten, moet er een systeem bedacht worden, dat lijkt op het kaderbesluit wederzijdse erkenning strafvonnissen. Dit Europese kaderbesluit bepaalt dat buitenlandse strafvonnissen automatisch erkend moeten worden en dat altijd de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging moet worden gevolgd. Zo kan er geen discussie meer bestaan over de te volgen procedure en over het wel of niet overnemen van buitenlandse rechterlijke beslissing. Immers, lidstaten zijn hiertoe verplicht.







