Peru: actueel rapport inzake de mensenrechten
Op 11 maart 2010 heeft een onderdeel van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, het Bureau of Democracy, Human Rights and Labor, een rapport uitgebracht over de omtrent de mensenrechtensituatie in Peru over het jaar 2009 (hierna te noemen: het rapport). In dat rapport wordt ook uitgebreid aandacht besteed aan de detentieomstandigheden en kort ingegaan op de Peruaanse rechtsgang in strafzaken. Hieronder volgt een samenvatting van de bevindingen in het rapport.
De penitentiaire instellingen in Peru worden beheerd door twee overheidsorganisaties: het Nationale Penitentiaire Instituut (hierna het NPI) en de Nationale Politieorganisatie. Het NPI is verantwoordelijk voor 56 van de 74 penitentiaire instellingen die het land kent, de Nationale Politieorganisatie voor de overige. In totaal zaten er gedurende het jaar 2009 in totaal ongeveer 44.800 personen – waaronder ongeveer 120 Nederlanders - gedetineerd in Peru. De gedetineerden die over geld kunnen beschikken, genieten allerlei privileges, zoals het gebruik kunnen maken van mobiele telefoons en maaltijden die buiten de instellingen zijn bereid. Voor de overige gedetineerden zijn de omstandigheden in het algemeen slecht tot uitermate erbarmelijk te noemen. Er is sprake van overbevolking, slechte sanitaire voorzieningen, beperkte toegang tot medische zorg, gebrek aan hygiëne en de aangeboden voeding en keukenfaciliteiten zijn onder de maat. Door het gebrek aan cellen moeten gedetineerden vaak in gemeenschappelijke ruimten of in de gangen van de gevangenis slapen. Het rapport meldt dat bijvoorbeeld in de San Juan de Lurigancho gevangenis 9874 personen zaten gedetineerd, terwijl de instelling oorspronkelijk is gebouwd voor maar 3204 gedetineerden. Door al deze factoren bestaan er grote problemen op het gebied van ziekten als tuberculose of aids.
In het rapport wordt ook beschreven dat fysiek geweld door medegevangenen en door bewaarders aan de orde van de dag is. Als gevolg van dat geweld zijn een aantal gedetineerden ook overleden. Hoewel het dodelijk geweld vooral werd veroorzaakt door medegedetineerden, speelt nalatigheid van de bewaarders in veel van die gevallen ook een belangrijke rol. Gedetineerden worden onvoldoende beschermd tegen de medegevangen. Het rapport noemt gebrek aan training, opleiding en begeleiding van die bewaarders als een belangrijk probleem. Ook corruptie van de bewaarders speelt een belangrijke rol. Bewaarders laten zich vaak omkopen of werken samen met gedetineerde gangsterleiders, die in de instellingen de dienst uitmaken en bijvoorbeeld verantwoordelijk zijn voor het smokkelen van wapens en drugs in die gevangenis. Uit het rapport valt op te maken dat onderzoeken die naar aanleiding van die dodelijke incidenten worden ingesteld onvoldoende adequaat worden uitgevoerd, waardoor de daders ongestraft blijven.
Het Peruaanse Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een persoon - buiten de gevallen dat er sprake is van een aanhouding op heterdaad - alleen indien er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, mag worden aangehouden. Voor een dergelijke aanhouding buiten heterdaad is een voorafgaande rechterlijke machtiging vereist. Voorts kan en mag alleen een rechter beslissen of een verdachte in voorlopige hechtenis kan worden genomen. In normale zaken dient de verdachte daartoe binnen 24 uur voor een rechter te worden geleid. In geval van terrorisme, overtreding van de Opiumwet of spionage, is die termijn vastgesteld op 30 dagen. In geval een zaak speelt in een afgelegen gebied van Peru, dan dient de voorgeleiding zo snel als mogelijk plaats te vinden. Rechters hebben na de voorgeleiding 24 uur de tijd om een beslissing te nemen over de gevorderde voorlopige hechtenis. Volgens het rapport worden deze procedureregels in het algemeen door de autoriteiten goed gevolgd.
Er is een wettelijke regeling voor een borgtocht. In de praktijk is die regeling alleen toegankelijk voor een verdachte met voldoende financiële draagkracht. Er is ook sprake van een wettelijke regeling voor het toevoegen van rechtsbijstand. Echter, in de rapportage wordt gemeld dat de advocaten die op die lijst staan, veelal de juiste kennis en vaardigheden missen, waardoor verdachten gedurende strafprocedure geen bijstand van een deskundig raadsman hebben en hun recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Een ander probleem dat in het rapport wordt aangestipt is – hoewel in de Peruaanse grondwet is bepaald dat de rechtspraak onafhankelijk dient te zijn – dat volgens verschillende onafhankelijke organisaties, de rechterlijke macht sterk wordt beïnvloed door de politiek en er bovendien sprake is van corruptie. Voor het overige omvatten de rechten van de verdachte in het Peruaanse strafrecht volgens het rapport onder meer ook de presumptie van onschuld (onschuldig tot het tegendeel is bewezen), het aanwezigheidsrecht, het recht om getuigen te doen laten horen en het recht op bijstand van een raadsman.
De bevindingen in het rapport tonen eens te meer de noodzaak van het sluiten van een Wots-verdrag met Peru aan. Volgens eerdere berichten (zie hiervoor www.prisonlaw.nl), is de Nederlandse regering al geruime tijd met de Peruaanse autoriteiten aan het onderhandelen over een dergelijk verdrag, maar lijkt er maar geen schot te zitten in die onderhandelingen. Gelet op het grote aantal Nederlanders dat op dit moment in Peru is gedetineerd, voornamelijk in verband met drugszaken, en de slechte situatie in de Peruaanse gevangenissen, is het dringende noodzaak dat de Nederlandse en Peruaanse regering tot overeenstemming weten te komen. De stichting PrisonLAW zal zich ook hier voor blijven inzetten en de Nederlandse regering blijven wijzen op de slechte situatie van ruim 120 Nederlanders in een van de Peruaanse gevangenissen.







