Er bestaan verschillende (semi-)rechterlijke instanties, zowel op nationaal als op internationaal niveau. Over de taken en bevoegdheden van deze instanties bestaan veel misverstanden. Sommige van de instanties zijn (mede) betrokken bij de bescherming van de rechten van de mens in het algemeen en die van gevangenen in het bijzonder, andere echter niet. Hieronder staan beknopt de taken en bevoegdheden beschreven van een aantal bekende rechterlijke instanties, in het bijzonder van die op het gebied van de bescherming van mensenrechten.


Voor een goed begrip, leggen wij eerst enkele begrippen uit die in de teksten voorkomen:

  • Statenklachtrecht: dit is het recht van een staat die partij is bij een verdrag om een klacht in te dienen tegen een andere staat over de naleving van het betreffende verdrag.
  • Individueel klachtrecht: dit houdt in dat individuen het recht hebben om een klacht in te dienen tegen een staat over de naleving van een verdrag. Verplicht individueel klachtrecht houdt in dat klachten kunnen worden ingediend tegen alle staten die partij zijn bij het verdrag. Facultatief individueel klachtrecht houdt in dat alleen klachten kunnen worden gericht tegen staten die, naast het betreffende verdrag, ook hebben aanvaard dat klachten tegen deze staat kunnen worden gericht.
  • Eerste Facultatieve Protocol bij het IVBPR: dit protocol is een ’aanvulling’ van het IVBPR waarin het individueel klachrecht wordt geregeld. Geschilbeslechting: dit betreft het vellen van een oordeel over een punt waarover partijen van mening verschillen, dan wel het ’schikken’ van een kwestie. Een klacht ‘ontvankelijk’ verklaren: de rechterlijke instantie oordeelt dat de klacht aan alle vereisten voor het indienen van de klacht voldoet en daarom in behandeling kan worden genomen.
  • Grote Kamer van EHRM: in sommige gevallen, bijvoorbeeld in gevolg van een ’hoger beroep’, oordeelt het EHRM in een bijzondere samenstelling, namelijk met 17 rechters.
  • Gerecht van Eerste Aanleg: het Gerecht van Eerste Aanleg (GEA) is een rechter van de Europese Unie. Het GEA is van lager niveau dan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
  • Gemeenschapsrecht: de wet- en regelgeving die door de bevoegde EU-instellingen tot stand wordt gebracht.

Internationale rechterlijke instanties

Comité voor de rechten van de mens
De taken en bevoegdheden van het Comité voor de rechten van de mens zijn vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). De eerste taak van het Comité is de beoordeling van de verslagen die staten inzenden over de naleving van het IVBPR. Deze beoordelingen kennen geen bindend karakter, maar deze kunnen uiteraard van grote politieke betekenis zijn. Daarnaast neemt het Comité kennis van klachten over naleving van het IVBPR door staten die partij zijn bij dit verdrag. Deze klachten kunnen door staten en - wanneer de betreffende staat het individueel klachtrecht heeft aanvaard - door burgers worden ingediend. Staten maken, om politieke redenen, vrijwel geen gebruik van hun klachtrecht. Anders dan het statenklachtrecht is het individueel klachtrecht niet verplicht. Burgers kunnen dan ook slechts klachten indienen tegen staten die het Eerste Facultatieve Protocol bij het IVBPR hebben aanvaard. Als extra vereiste geldt bovendien dat men alle nationale rechtsgangen moet hebben doorlopen. Dit houdt in dat men alle redelijkerwijs mogelijke rechtsmiddelen (hoger beroep, cassatie etc.) moet hebben gebruikt. Geen enkele uitspraak of beoordeling van het Comité is bindend, of het nu gaat om statenklachtrecht of het individueel klachtrecht. Het Comité kan dan ook nationale rechterlijke beslissingen niet terugdraaien. Nederland is partij bij het IVBPR en heeft ook het individueel klachtrecht aanvaard. Nederlandse burgers kunnen dan ook onder bepaalde voorwaarden een klacht indienen over de naleving door Nederland van het IVBPR. Vanwege het feit dat het hierna te bespreken EHRM wel bindende uitspraken kan doen over de naleving van mensenrechten door Nederland, zijn klachten bij het Comité tegen Nederland vrij zeldzaam.

Internationaal Gerechtshof
Het Internationaal Gerechtshof (IGH) werd opgericht in 1946 en zetelt in Den Haag. Het is het belangrijkste rechterlijke orgaan van de Verenigde Naties, waarbij nagenoeg alle staten zijn aangesloten, waaronder Nederland. De taken en bevoegdheden van het IGH zijn geregeld in het Handvest van de Verenigde Naties en het Statuut van het Internationaal Gerechtshof. Het IGH oordeelt over geschillen tussen staten. Burgers kunnen daarom - zonder tussenkomst van een staat, wat erg uitzonderlijk is - geen kwesties voorleggen aan het IGH. Het is voor burgers dan ook niet mogelijk om, nadat alle nationale rechtsgangen zijn doorlopen, het IGH als hogere instantie in te schakelen. Naast het oordelen over geschillen, brengt het IGH adviezen uit.

Internationaal Strafhof
Het Internationaal Strafhof, opgericht in 2002, is net als het IGH een rechterlijk orgaan van de Verenigde Naties (VN) en zetelt eveneens in Den Haag. De taken en bevoegdheden van het Internationaal Strafhof zijn grotendeels vastgelegd in het Statuut van de VN waarin de oprichting van het Internationaal Strafhof is geregeld. Bij het Internationaal Strafhof spreekt men recht over de meest ernstige misdrijven van internationaal belang, zoals: genocide (= volkerenmoord), misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en het misdrijf agressie. Deze rechtsmacht kent wel enkele beperkingen. Zo kent het een subsidiair karakter; dat wil zeggen dat het is bedoeld als aanvulling op de bevoegdheid van nationale rechterlijke instanties. Pas als de bevoegde instanties in de staten zélf niet kunnen of willen overgaan tot vervolging van mensen die zich schuldig maken aan de genoemde misdrijven, komt het Internationaal Strafhof in beeld. Een andere belangrijke beperking is dat het Internationaal Strafhof slechts kan oordelen over misdrijven die hebben plaatsgevonden binnen de rechtsmacht van een staat die partij is bij het Statuut van het Internationaal Strafhof. Vele staten, waaronder enkele grote, zijn (nog) geen partij bij het Statuut. Nederland is wel partij bij het Statuut. Evenmin als het IGH is het Internationaal Strafhof bedoeld als hogere instantie ten opzichte van nationale rechterlijke beslissingen. Bij de uitoefening van rechtsmacht neemt het Internationaal Strafhof internationaal erkende mensenrechten in acht.

Overige internationale rechterlijke instanties
Naast bovengenoemde, meer algemene, rechterlijke instanties bestaat er een aantal specifieke instanties op internationaal niveau. In de eerste plaats valt te wijzen op (ad hoc-)tribunalen voor de berechting van oorlogsmisdrijven, zoals bijvoorbeeld het Joegoslavië-tribunaal. Daarnaast is een aantal instanties belast met het toezicht op de naleving van (met name) mensenrechtenverdragen.

Voor deze laatste categorie instanties geldt dat deze over het algemeen slechts adviseren en geen bindende oordelen kunnen geven. Zij kunnen dan ook niet worden gebruikt als hogere instantie om nationale rechterlijke beslissingen bij aan te vechten. De bevoegdheden van al deze instanties zijn doorgaans geregeld in de verdragen - of in het geval van straftribunalen soms VN-Veiligheidsraadresoluties - waarbij zij zijn opgericht.

 

Regionale rechterlijke instanties

Europa - Europees Hof voor de rechten van de mens
De taken en bevoegdheden van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) zijn vastgelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Alle EU-lidstaten en enkele niet EU-lidstaten zijn partij bij dit verdrag. Het EHRM is van groot belang voor de bescherming van mensenrechten binnen Europa. Het EHRM, dat zetelt in Straatsburg, is bevoegd desgevraagd adviezen te geven en kennis te nemen van klachten tussen staten over de naleving van het EVRM. In tegenstelling tot verschillende andere rechterlijke instanties heeft het EHRM daarnaast de bevoegdheid te oordelen over individuele klachten van burgers: alle burgers kunnen bij het EHRM klagen over schending van het EVRM door staten die partij zijn bij dit verdrag. Sinds 1998 is dit individueel klachtrecht - anders bij de meeste andere mensenrechtenverdragen, zoals het IVBPR - verplicht voor alle staten die partij zijn het EVRM.

Een ander belangrijk punt om op te merken is dat de oordelen van het EVRM bindend zijn voor de staat waartegen de betreffende klacht is gericht. Een beperkende factor is wel dat klachten pas kunnen worden ingediend nadat alle nationale rechtsgangen zijn doorlopen. Dit houdt in dat men alle redelijkerwijs mogelijke rechtsmiddelen (hoger beroep, cassatie etc.) moet hebben gebruikt. Al in de nationale procedures moet de vermeende schending van het EVRM zijn aangevoerd - al hoeft dit niet met zoveel woorden.

Het feit dat uitspraken van het EHRM bindend zijn betekent echter niet dat het EHRM bevoegd is om nationale rechterlijke beslissingen terug te draaien. Of, en zo ja in hoeverre, een uitspraak van het EHRM gevolgen heeft voor de voorafgaande nationale rechterlijke beslissing is met name een kwestie van nationaal recht. Zo hebben uitspraken van het EHRM niet automatisch gevolgen voor de uitspraken van de Nederlandse rechter. Wel kunnen uitspraken van het EHRM (sinds kort) in Nederlandse strafzaken een grond voor herziening opleveren. Herziening is de mogelijkheid om de Hoge Raad te verzoeken een strafzaak te ’heropenen’. Daarnaast kan het EHRM een billijke genoegdoening toekennen aan de klager indien het constateert dat het EVRM is geschonden.

De procedure voor het EHRM vangt aan met het indienen van een verzoekschrift; dit verzoekschrift moet binnen zes maanden na de datum van de definitieve nationale rechterlijke beslissing worden ingediend. Vervolgens oordeelt een kamer van het EHRM over de ontvankelijkheid van de klacht. Is de klacht ontvankelijk, dan zal het EHRM eerst proberen om tot een schikking te komen. Als er geen schikking tot stand komt, dan geeft het EHRM een oordeel ten gronde. In sommige gevallen bestaat dan nog de mogelijkheid van een beroep van deze uitspraak op de Grote Kamer van het EHRM. Het EHRM heeft vele belangrijke uitspraken gedaan, die ook hebben geleid tot enkele belangrijke aanpassingen in het nationale recht van de staten die partij zijn bij het EVRM.

Inmiddels wordt veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid klachten in te dienen bij het EHRM. Dit ’succes’ heeft er overigens wel toe geleid dat er eigenlijk te veel werk ligt bij deze instantie. Inmiddels zijn er allerlei initiatieven in gang gezet om de werkdruk van het EHRM te verminderen.

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Een ander belangrijk rechterlijk orgaan binnen Europa is het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) dat in Luxemburg zetelt. Het HvJEG is geen mensenrechtenhof. Het HvJEG is de hoogste rechter binnen de Europese Unie en is, samen met het in 1989 opgerichte Gerecht van Eerste Aanleg, belast met het uitleggen en toepassen van het Gemeenschapsrecht. Hoewel mensenrechten - afgeleid uit het EVRM en de constitutionele tradities van de EU-lidstaten - deel uitmaken van het recht waaraan het HvJEG toetst, is mensenrechtenbescherming dus niet het enige of voornaamste doel van het HvJEG. Het HvJEG kan ook slechts handelingen van lidstaten en hun instanties beoordelen voor zover sprake is van uitvoering van Gemeenschapsrecht. Burgers kunnen geen kwesties voorleggen aan het HvJEG.

Overige werelddelen
Ook in andere werelddelen bestaan enkele (rechterlijke) instanties die zijn belast met mensenrechtenbescherming. In de meeste gevallen kunnen deze instanties slechts niet-bindende oordelen of adviezen geven. In de meeste gevallen bestaat geen of slechts een facultatief individueel klachtrecht voor burgers. Een uitzondering in dat opzicht vormt het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten, waar wel een individueel klachtrecht bestaat. Meer over deze instantie is te vinden op www.corteidh.or.cr

Nationaal

Naast bovengenoemde instanties op internationaal en regionaal niveau, zijn met name de nationale rechterlijke instanties van groot (in de praktijk: het grootste) belang. Of, en zo ja in hoeverre, deze nationale rechterlijke instanties aan mensenrechten toetsen valt echter niet in zijn algemeenheid te zeggen. De mogelijkheid voor een (nationale) rechter om te toetsen aan mensenrechten wordt in eerste instantie namelijk bepaald door het nationaal recht. Meer over nationale wetgeving is te lezen bij de afzonderlijke landenpagina’s op deze site.


Geraadpleegde bronnen:

  • M. Dixon en R. McCorquodale, Cases & Materials on International Law, Oxford:
    Oxford University Press 2003.
  • P.H. Kooymans, Internationaal Publiekrecht in vogelvlucht, Deventer: Kluwer 2000.
  • C.A.J.M. Kortmann, Constitutioneel recht, Deventer: Kluwer 2001.
  • R.M.M. Wallace, International Law, Londen: Sweet & Maxwell 1997.