Werkverslag van PrisonLAW-vrijwilliger Marina Pier in Bosnië-Herzegovina

Van november 2008 tot juni 2009 heb ik in het kader van een fellowship gewerkt bij de Bosnia and Herzegovina War Crimes Chamber (WCC) in de Bosnische hoofdstad Sarajevo. De WCC berecht verdachten van oorlogsmisdaden gepleegd in Bosnië gedurende de oorlog die in de periode van 1992 tot en met 1995 het leven kostte aan bijna 250.000 personen en waarbij ongeveer een miljoen mensen op de vlucht sloegen. Op dit moment worden er nog steeds ongeveer 13.000 personen vermist.

Een aantal politieke en militaire kopstukken zijn reeds door het in 1993 opgerichte Joegoslavië Tribunaal (ICTY) in Den Haag veroordeeld. Dit tribunaal zal echter na het afronden van de lopende zaken (inclusief die van de nog voortvluchtige Ratko Mladic) haar deuren sluiten. Het is aan de landelijke Bosnische oorlogskamer (de WCC) en de regionale rechtbanken om de overige verdachten te berechten. Het is onduidelijk hoeveel zaken er nog zullen komen. Op dit moment worden ruim 10.000 personen als potentiële verdachte aangemerkt. De WCC richt zich vooral op verdachten die een planmatige of leidinggevende rol hebben gespeeld gedurende het conflict, terwijl de regionale gerechten de daadwerkelijke plegers/ uitvoerders zullen vervolgen. De verdachten zijn afkomstig uit alle betrokken bevolkingsgroepen – Bosnische Serviërs, Bosnische Kroaten en Bosnische Moslims.

Hoewel men tegen veel moeilijkheden en gevoeligheden aanloopt, ben ik van mening dat de berechting van oorlogsmisdadigers op nationaal niveau een positieve uitwerking op de Bosnische samenleving heeft. De WCC is een nationale Bosnische rechtbank met internationale elementen. In het begin bestond bijvoorbeeld elk panel van drie rechters uit twee internationale en één Bosnische rechter; inmiddels is de verhouding omgekeerd. Het is de bedoeling dat de functies van het internationale personeel op termijn allemaal worden overgenomen door nationale juristen. Voordelen van dit systeem zijn dat door berechting in eigen land een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van de nog jonge juridische instituties in Bosnië en de samenleving meer wordt betrokken bij de rechtszaken, terwijl door de buitenlandse assistentie wordt gegarandeerd dat de processen plaatsvinden volgens internationale standaarden (bijvoorbeeld onafhankelijkheid/ onpartijdigheid; in het nog steeds zeer verdeelde Bosnië zal de ene etniciteit een uitspraak van een rechter van een andere bij het conflict betrokken etniciteit vaak niet als onafhankelijk beschouwen).

Ik heb gedurende mijn fellowship bij de Defence Support Section gewerkt. Deze afdeling is opgericht om de (Bosnische) advocaten die de verdachten voor de WCC verdedigen juridische ondersteuning te bieden. Deze advocaten hebben vaak geen enkele ervaring met dit soort zaken en zijn tevens niet opgeleid om in het huidige rechtssysteem, pas ingevoerd in 2003, te functioneren. De Defence Support Section bestaat uit vier teams, bestaande uit drie Bosniërs en een international, die juridisch onderzoek doen en publiceren, zaaksanalyses schrijven, zittingen bijwonen en seminars organiseren. Aangezien vele advocaten, waaronder degenen waar ik voor gewerkt heb, geen andere talen beheersen dan het Servo-Kroatisch, kunnen zij bovendien ook moeilijk op de hoogte blijven van de recente ontwikkelingen in het internationale recht (alleen uitspraken van het Joegoslavië Tribunaal worden vertaald in het Servo-Kroatisch; van jurisprudentie van alle andere belangrijke internationale gerechten kunnen zij dus niet kennisnemen).

Ik heb het advocatenteam ondersteund in de zaak tegen de Bosnisch-Servische verdachten Predrag Bastah en Goran Viskovic. Deze zaak speelde zich af in het dorpje Vlasenica, in het oosten van Bosnië-Herzegovina, niet ver bij Srebrenica vandaan, waar in het voorjaar van 1992 de Bosnische Moslim bevolking achtereenvolgens werd ontwapend, gediscrimineerd door steeds verdergaande maatregelen (geen loon meer ontvangen, niet meer mogen werken, niet meer zonder pas over straat lopen) en uiteindelijk uit het dorp weggevoerd door lokale strijdkrachten van Bosnisch-Servische komaf. Dit ging regelmatig gepaard met geweldsmisdrijven. De twee voornoemde verdachten waren een politieman en een soldaat die aan deze operaties hebben meegewerkt. In adviezen voor de advocaten heb ik beschreven welke onderdelen volgens mij wel konden worden bewezen (een aanslag op een burgerbevolking) en welke niet (in een zeer ruim geformuleerde tenlastelegging worden de verdachten bijvoorbeeld ook verantwoordelijk gehouden voor daden van onbekende, niet of nauwelijks aan hen gelinkte derden).

Het grootste verschil met het Nederlandse rechtssysteem is dat de procedures gedeeltelijk gebaseerd is op het Angelsaksische ‘common law’ systeem. Zo worden alle getuigen bijvoorbeeld gehoord op de terechtzitting. In het geval van oorlogsmisdaden kan dit systeem in mijn ogen een positieve uitwerking hebben op het verwerkingsproces van de Bosnische bevolking, omdat alle getuigen (al dan niet onherkenbaar) hun verhaal in het openbaar houden. Voor het buitenlandse personeel worden hun verklaringen simultaan in het Engels vertaald.

Tijdens mijn fellowship woonde ik in Sarajevo. Een leuke stad waar veel te doen is en die – op hier en daar wat oorlogsschade na – sinds de oorlog bijzonder goed opgebouwd is (anders dan sommige andere gebieden in Bosnië, zoals de omgeving van Srebrenica, waar oorlogsschade nog steeds het straatbeeld domineert). Bosnië is een overwegend bergachtig land met veel wilde, ongerepte natuur. De bergen lenen zich uitstekend voor skiën (onder andere op de Olympische pistes uit 1984) en bergwandelen. Vanwege het grote aantal onopgeruimde landmijnen is voorzichtigheid echter wel geboden.

Al met al was werken binnen het Bosnische rechtsysteem zowel juridisch als persoonlijk een zeer bijzondere ervaring.