Nieuw Wetsvoorstel voortgezette tenuitvoerlegging artikel 43 van de WOTS

Een nieuw wetsvoorstel is aanhangig om artikel 43 van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (hierna: WOTS) te wijzigen. Op 27 mei jongstleden is het wetsvoorstel met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer en door de Eerste kamer op 24 juni jongstleden zonder stemming aanvaard en als hamerstuk afgedaan. De verwachting is dat de wet op 1 januari 2015 in werking zal treden.1

De WOTS bevat twee procedures voor de tenuitvoerlegging in Nederland van een in een vreemde Staat opgelegde sanctie die strekt tot vrijheidsbeneming. Dit is de omzettingsprocedure en de voorgezette tenuitvoerlegging, ook wel genoemd de procedure tot onmiddellijke tenuitvoerlegging.

Bij de omzettingsprocedure zet een Nederlandse rechtbank de buitenlandse straf om naar Nederlandse maatstaven, wat er in voorkomende gevallen- vooral bij drugsdelicten - toe kan leiden dat de buitenlandse straf wordt verlaagd. De omzettingsprocedure is bij de totstandkoming van de WOTS aangemerkt als de procedure die de voorkeur van Nederland geniet. Bij de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging wordt de buitenlandse straf in zijn geheel door Nederland overgenomen, zij het dat het Nederlandse wettelijke strafmaximum niet mag worden overschreden. Indien dit het geval is kan de straf slechts worden overgenomen als het land van veroordeling instemt met een aanpassing van de straf naar het Nederlands strafmaximum.

Dit wetsvoorstel strekt tot nadere uitwerking van de procedure betreffende voortgezette tenuitvoerlegging en dient ter verbetering van de procedure van voorgezette tenuitvoerlegging. De procedure van de WOTS wordt zoveel mogelijk gelijkgetrokken met die van de WETS. De achterliggende gedachte voor de wetswijziging heeft te maken met het feit dat tijdens onderhandelingen met verschillende landen voor een bilateraal WOTS-verdrag bleek dat de andere staten alleen tot een verdrag wensten te komen indien daarin zou worden opgenomen dat in beginsel toepassing wordt gegeven aan de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging. De toepassing van de omzettingsprocedure werd door de landen waarmee Nederland reeds een bilateraal verdrag had gesloten niet geaccepteerd vanwege onvoldoende strafrestant en de lage straffen in Nederland, waardoor de gevonniste personen bij aankomst in Nederland onmiddellijk in vrijheid zouden worden gesteld. De procedure van de voortgezette tenuitvoerlegging wordt sinds 1 oktober 2011 binnen de Europese Unie toegepast middels de Wet Wederzijdse Erkenning Strafvonnissen (hierna: WETS).2 De toepassing van de voorgezette tenuitvoerlegging in de WOTS is zeer beperkt geregeld, omdat de wetgever er vanuit is gegaan dat zelden van deze regeling gebruik zou worden gemaakt. Nu blijkt dat de omzettingsprocedure veelal tot weigering van WOTS verzoeken leidt is het om die reden noodzaak om de voortgezette tenuitvoerlegging verder in de WOTS te systematiseren.3 Bovendien blijkt dat met de landen Panama en Venezuela de WOTS verzoeken worden geweigerd vanwege het tekort aan strafrestant bij de omzettingsprocedure. Om die reden is de overname van het gehele buitenlandse vonnis in een omzetting naar het Nederlands strafmaximum een vooruitgang. Er blijft op deze manier voldoende strafrestant over om een overbrenging te realiseren. Uiteraard dient ook hier weer rekening te worden gehouden met de meeste gunstige regeling van voorwaardelijke in vrijheidstelling in beiden staten en de gevallen die buiten deze regeling vallen. In het nieuwe wetsvoorstel heeft de Minister van Justitie de eis dat de instemming van de veroordeelde is vereist geschrapt met het oog op het feit dat het toepasselijke verdrag hierin voorziet. In het Europees verdrag inzake de geldigheid van strafvonnissen en het Benelux verdrag is voor de overbrenging geen instemming vereist van de veroordeelde. Ook binnen de Europese Unie is met de WETS geen instemming meer vereist van de veroordeelde.

 

De voortgezette tenuitvoerlegging bestaat uit een bestuurlijke en rechterlijke fase.
Artikel 43b, eerste lid van de WOTS bepaalt dat de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem de verzoeken beoordeelt en toetst of er wettelijke weigeringsgronden zijn. De positie van de bijzondere kamer wordt in formele zin versterkt doordat er geen sprake is van een advies, maar van een oordeel.4 De toetsingsgronden zijn exact omschreven en worden dan ook door de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem strikt beoordeeld. De procedure is schriftelijk en er vinden geen hoorzittingen meer plaats. Het is immers niet de bedoeling dat de bijzondere kamer van het gerechtshof te Arnhem zich nog met andere aspecten bezighoudt. De voortgezette procedure heeft anders dan de WETS echter betrekking op verzoeken tot tenuitvoerlegging op basis van verdragen. Die verdragen bevatten geen verplichting tot inwilliging daarvan. Daarom kan de minister zelfs als aan alle verdragsvoorwaarden is voldaan een verzoek tot tenuitvoerlegging weigeren. De veroordeelde kan verder aan de verdragen geen recht op overbrenging ontlenen. Daarnaast is bij verdragen gewoonlijk de instemming van betrokkene nodig, terwijl bij de WETS de toestemming van betrokkene in beginsel niet vereist is. Kortom: de rechter adviseert en het Minister van Veiligheid en Justitie neemt de eindbeslissing in dezen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met info@prisonlaw.nl

1 Kamerstukken II 2013/14, 33, 742, nr. 3,

2 Kamerstukken II 2013/14, 33, 742, nr. 3, Wijziging van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen in verband met aanvulling van de bepaling over de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging, p. 2 (MvT).

3 Het voornemen om de WOTS te wijzigen met name de procedure van omzetting naar de directe tenuitvoerlegging was reeds lange tijd aanwezig. Maar vanwege de inwerkingtreding van de WETS werd aan de laatste wetvoorstel voorrang verleend zie, Kamerstukken II 2013/14, 33, 742, nr. 3, Wijziging van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen in verband met aanvulling van de bepaling over de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging, p.2 (MvT).

4 Kamerstukken II 2013/14, 33, 742, nr. 3, (MvT) p. 7.