Peru

Artikelindex

Politieke structuur

2. Internationale verdragen en geldende mensenrechten
Mensenrechten hebben in Peru altijd onder hoogspanning gestaan, met als tragisch dieptepunt de burgeroorlog die het land van 1980 tot 2000 in zijn greep hield. Momenteel worden steeds meer mensenrechten gewaarborgd en is Peru verdragspartij bij verschillende internationale mensenrechtenverdragen. Het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) is door Peru ondertekend in 1977 en geratificeerd in 1978. Het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (UNCAT) is door Peru ondertekend in 1985 en geratificeerd in 1988.

2.1 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR)
Zoals hierboven is gesteld is het IVBPR geratificeerd door Peru. Dit betekent dat dit verdrag directe werking heeft in het Peruaanse recht. In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met het internationale recht.

Onder andere de volgende burgerrechten zijn in het IVBPR vastgelegd: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd is en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR is ook vastgelegd dat een strafrechtelijke veroordeling alleen als de desbetreffende gedraging op dat moment ook in een wet strafbaar is gesteld.

Het IVBPR waarborgt eveneens het recht op leven. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR bepaalt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits de dodostraf beperkt wordt tot de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou mogen worden.

Uit het IVBPR vloeien ook een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden over de reden van de arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van de aanhouding en de vrijheidsbeneming door een rechter te laten toetsen, het recht op berechting binnen een redelijke termijn en het recht om voor onschuldig gehouden te worden totdat het tegendeel is bewezen.

Bovendien worden in het IVPR een aantal minimumgaranties gesteld waarop een ieder die wordt blootgesteld aan strafrechtelijk vervolging recht heeft (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van het strafgeding, het recht getuigen op te roepen en te doen ondervragen, het recht op een tolk en het recht om te zwijgen.

2.2 Het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing (UNCAT)
Peru is verdragspartij bij het VN-verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing. Dit verdrag waarborgt dat een ieder in de verdragslanden gevrijwaard blijft van marteling, mishandeling, wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing.

Uit rapportages van de VN blijkt dat er nog steeds klachten binnenkomen van gedetineerden over marteling en ill treatment binnen de gevangenis. Dit punt verdient nog steeds aandacht. Desalniettemin constateert The Committee Against Torture (CAT) dat in de afgelopen jaren sprake is geweest van een meer gedegen en onafhankelijk onderzoek van deze klachten. Bovendien is het aantal klachten ten opzichte van vorige jaren gedaald. Daarentegen worden de klachten niet automatisch geregistreerd. De CAT doet dan ook een aanbeveling om een nationaal mechanisme in te schakelen die dergelijke klachten automatisch registreert.

Peru heeft een nationale ombudsman aangesteld die individuele klachten van burgers over marteling, mishandeling en onmenselijke behandeling en overige gedragingen van de overheid behandelt. Het instellen van de nationale ombudsman in Peru wordt door de CAT als een positieve ontwikkeling bestempeld.

De situatie in de gevangenissen verdient aandacht. Door overbevolking zijn de omstandigheden vaak slecht. Peru dient dringend maatregelen te nemen die deze overbevolking in de gevangenissen tegen gaan en daarnaast dient prioriteit te worden gegeven aan het feit dat de medische behandeling in gevangenissen toegankelijker moet worden. Ook ten aanzien van de verbetering van de toegankelijkheid tot een pro-deo advocaat dienen maatregelen genomen te worden die prioriteit behoeven.

In Peru zijn nog steeds onvoldoende onpartijdige rechters. Op dit punt wordt dan ook door de VN aanbevolen maatregelen te nemen.

2.3 Controle op de naleving van internationale mensenrechten verdragen
Het op papier onderkennen van mensenrechten houdt niet mede in dat deze dan ook automatisch daadwerkelijk worden beschermd. Daarom is het van belang dat de naleving van de internationale mensenrechtenverdragen gecontroleerd wordt.

De VNhoudt toezicht op de naleving van de verdragen. De verdragspartijen zijn verplicht om regelmatig verslag doen bij de VN over hoe de naleving van het verdrag in de praktijk uitpakt. Ook doen de controlerende organen van de VN zelf onderzoek. Zij rapporteren regelmatig over de stand van zaken in het desbetreffende verdragsland. In hoeverre is sprake van mensenrechtenschending en schending van het UNCAT verdrag? Op grond van dit onderzoek brengen de rapporteurs een advies uit aan het land over hoe de mensenrechtenschendingen nog beter voorkomen kunnen worden. Ook kan de UN technische ondersteuning bieden voor de implementatie van de mensenrechtenverdragen in het verdragsland.

2.4 Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners
In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. De bepalingen in dit verdrag zijn niet bindend, maar geven richtlijnen voor de behandeling van gedetineerden en detentieomstandigheden.

Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodatie van de gevangenen (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gevangenen, de kleding en slaapplekken van gevangenen, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gevangenen. Volgens de richtlijnen zou in iedere gevangenis de mogelijkheid moeten zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gevangenen contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van hun godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel instructienormen zijn voor de overheid. Overheden zijn niet verplicht zich aan die richtlijnen te houden. De naleving van die richtlijnen kan door een individuele gedetineerde niet bij de rechter worden afgedwongen.

2.5 WOTS
Na een lange periode van onderhandelingen hebben Nederland en Peru op 12 mei 2011 een Wots-verdrag gesloten en ondertekend. Op basis van dit verdrag kunnen Nederlanders die in Peru onherroepelijk zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf verzoeken het laatste deel van deze straf in Nederland uit te zitten. Het verdrag is echter nog niet in werking getreden. Dit zal pas het geval zijn na het moment dat het Verdrag door de parlementen van beide landen is geratificeerd. Tot die tijd is het dus nog niet mogelijk om een Wots-verzoek in te dienen.

Nederlandse gedetineerden in Peru kunnen aan het nieuwe Wots-verdrag echter geen recht op overbrenging ontlenen. Het verdrag regelt alleen de bevoegdheid tot het indienen van dergelijk verzoek. Voor de inwilliging van het verzoek en daarmee de feitelijke overbrenging naar Nederland is, zoals gebruikelijk bij Wots-procedures, de instemming van beide landen vereist. Deze instemming kan door elk van de landen zonder opgave van redenen worden onthouden.

In artikel 9 van het nieuwe verdrag is gegeven dat de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging zal worden toegepast. De straf zal dus in zijn geheel worden overgenomen door Nederland. Alleen als de opgelegde straf in Peru hoger is dan het Nederlandse strafmaximum voor het desbetreffende strafbare feit, wordt de straf – onder voorbehoud dat Peru daarmee instemt – bijgesteld tot het Nederlandse maximum.

Referenties: