Verenigde Staten

Artikelindex

Internationale verdragen en geldende mensenrechten

In de Verenigde Staten worden mensenrechten nog steeds geschonden in de oorlog tegen het terrorisme. Het detentiecentrum op Guantánamo Bay, waar vermeende terroristen worden vastgehouden, is nog steeds niet gesloten. In 35 van de 50 Staten wordt nog de doodstraf gehanteerd. De Verenigde Staten hebben het Verdrag voor de Rechten van het Kind niet geratificeerd, als enige land samen met Somalië.1 In 2005 hebben de Verenigde Staten zich teruggetrokken van de verplichte jurisdictie van de ICJ (International Court of Justice).

Momenteel zijn de Verenigde Staten van Amerika verdragspartij bij onder andere de volgende internationale mensenrechtenverdragen: het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (ondertekend in 1977 en geratificeerd in 1992), TheUnited Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (ondertekend in 1988 en geratificeerd in 1994), The American Convention on Human Rights is ondertekend door de Verenigde Staten (1977) maar nog niet geratificeerd.

2.1 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR)
Het IVBPR is geratificeerd door de Verenigde Staten van Amerika. Dit betekent dat dit verdrag een directe werking heeft in het recht van de Verenigde Staten. In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met het internationale recht.

Onder andere de volgende burgerrechten zijn vastgelegd in het IVBPR: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd wordt en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR staat ook vastgelegd dat er een juridische grond nodig is om iemand te kunnen veroordelen voor een bepaald feit.

In het IVBPR wordt tevens het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits de doodstraf wordt beperkt tot de meest zware misdrijven. Hieruit vloeit voort dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd mag worden.

Uit het IVBPR vloeien eveneens een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden van de reden van de arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van detentie te laten bepalen, het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden en het recht om onschuldig gehouden te worden totdat de schuld bewezen is.

Bovendien worden er in het IVPR een aantal minimumgaranties gesteld waar een ieder recht op heeft bij een ingestelde strafvervolging (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van de vervolging, het recht getuigen te ondervragen en getuigen op te roepen, het recht op een tolk en het recht om niet gedwongen te worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

2.2 The United Nations Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT)
De Verenigde Staten zijn verdragspartij bij de UN Convention against Torture and other Cruel, Imhuman or Degrading Treatment or Punishment. Dit verdrag ziet er op toe dat een ieder in de verdragslanden gevrijwaard blijft van marteling, mishandeling, wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing.

In de laatste rapportage (2006) van The Committee Against Torture (hierna: CAT) is geconcludeerd dat de Verenigde Staten nog niet voldoen aan de eisen die gesteld worden aan het UNCAT verdrag. In een aantal aanbevelingen worden de Verenigde Staten erop gewezen dat zij ‘Torture’ (marteling) als delict strafbaar dienen te stellen. Daarnaast dient de reikwijdte van het delict ‘psychologische marteling’ uitgebreid te worden.

De Verenigde Staten hebben een voorbehoud gemaakt over de toepassing van het UNCAT verdrag in oorlogstijden. De CAT doet in zijn laatste rapportage de aanbeveling om het UNCAT verdrag in alle tijden van toepassing te laten zijn. In vrede, gewapende conflicten én in oorlogstijden.

Voorts doet de CAT in zijn rapportage uit 2006 de aanbeveling dat de Verenigde Staten ervoor moeten zorgdragen dat de bepalingen uit het UNCAT verdrag nageleefd worden door een ieder die onder de jurisdictie van de Verenigde Staten valt.

Er wordt eveneens een aanbeveling gedaan waarin wordt vermeld dat marteling van gedetineerden moet worden tegengegaan. Voorts wijst de CAT de Verenigde Staten erop dat alle gedetineerden op een juiste wijze moeten worden geregistreerd.

Tot slot wijst de CAT de Verenigde Staten erop dat het detentiecentrum op Guantánamo Bay moet worden gesloten. Huidige gedetineerden aldaar dienen een juridisch proces te krijgen of direct te worden vrijgelaten.

Op grond van bovenstaande aanbevelingen door de CAT blijkt dat er nog erg veel klachten liggen tegen de Verenigde Staten op het gebied van de naleving van het UNCAT verdrag. De Verenigde Staten maken zich nog steeds schuldig aan marteling en ill treatment binnen het gevangeniswezen.

Voornamelijk het nog steeds bestaande detentiecentrum op Guantánamo Bay verdient veel aandacht. Gedetineerden worden daar nog altijd blootgesteld aan marteling.

2.3 The American Convention on Human Rights
The American Convention on Human Rights is een internationaal mensenrechteninstrument. De Verenigde Staten hebben de conventie op dit moment nog niet geratificeerd.

Het doel van de conventie is om een positie te creëren van persoonlijke vrijheid en sociale vaardigheid op basis van respect voor de rechten van de mens. In de jaren na het ontstaan van de conventie zijn er aan de conventie nog twee protocollen toegevoegd. Het eerste protocol was het Additional Protocol to the American Convention on Human Rights in the area of Economic, Social, and Cultural Rights en het tweede protocol was het Protocol to the American Convention on Human Rights to Abolish the Death Penalty. De Verenigde Staten hebben beide protocollen niet geratificeerd.

2.4 Controle op de naleving van internationale mensenrechten verdragen
Het op papier erkennen van mensenrechten is iets anders dan het in praktijk beschermen van de mensenrechten. Daarom is het van belang dat de naleving van de internationale mensenrechtenverdragen gecontroleerd wordt.

De United Nations houdt toezicht op de naleving van internationale mensenrechtenverdragen. De verdragspartijen zijn verplicht om regelmatig verslag te doen bij de United Nations over hoe de naleving van het verdrag in de praktijk uitpakt. Ook doen de controlerende bureaus van de UN zelf onderzoek. Zij rapporteren regelmatig over de stand van zaken in het verdragsland.

Zoals in de vorige paragraaf weergegeven heeft de Committee Against Torture in 2006 in zijn rapportage een aantal aanbevelingen gedaan naar de Verenigde Staten in verband met de naleving van het UNCAT verdrag. De Verenigde Staten worden door de CAT uitgenodigd om een rapport op te stellen in reactie op zijn aanbevelingen en conclusies. Indien de aanbevelingen uit de rapportage van de CAT bij een volgende inspectie niet zijn nageleefd zou er een waarschuwing kunnen volgen. Sancties worden slechts opgelegd bij zeer ernstige en flagrante schendingen.

2.5 Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners
In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. Dit verdrag is niet bindend, maar geeft richtlijnen aan voor de behandeling van gevangenen en de omstandigheden in gevangenissen.

Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodaties van de gevangenen (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gevangenen, de kleding en slaapplekken van gevangenen, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gevangenen. Volgens de richtlijnen zou er in iedere gevangenis de mogelijkheid moeten zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gevangenen contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel richtlijnen zijn. Deze richtlijnen zijn niet van rechtswege afdwingbaar. Overheden zijn niet verplicht zich aan deze richtlijnen te houden.

2.6 WOTS
De Verenigde Staten van Amerika zijn partij bij het ‘Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen’ (hierna: VOGP). Dit verdrag maakt het mogelijk dat Nederlanders die in het buitenland onherroepelijk zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf, kunnen verzoeken om een deel van die opgelegde straf in Nederland uit te zitten.

De Verenigde Staten zijn aldus op federaal niveau akkoord met een overbrenging middels de WOTS-procedure. Echter, op ‘State level’ kan de procedure tot het aanvragen van een overbrenging verschillen. Elke staat mag zijn eigen eisen stellen aan de procedure tot overbrenging. Enkele staten zijn niet akkoord met het verdrag. In deze staten is het niet mogelijk een aanvraag in te dienen wanneer er een veroordeling plaatsvindt op ‘State level’. In Californië wordt de overbrenging van buitenlandse gedetineerden geregeld in titel 15 van de ‘California Code of Regulations’. Één van de eisen die gesteld wordt aan een verzoek tot overbrenging is het overhandigen van een intentieverklaring aan de autoriteiten in Californië door justitie in Nederland. Een intentieverklaring houdt in dat Nederland zich bereid moet verklaren om de gedetineerde zijn straf in Nederland uit te laten zitten. Voor meer informatie over de WOTS procedure in Californië kunt u contact opnemen met PrisonLAW.

Nederlandse gedetineerden in de Verenigde Staten kunnen aan het VOGP geen recht op overbrenging ontlenen. Het verdrag regelt alleen de bevoegdheid tot het indienen van dergelijk verzoek. Voor de inwilliging van het verzoek en daarmee de feitelijke overbrenging naar Nederland is, zoals gebruikelijk bij WOTS-procedures, de instemming van beide landen vereist. Deze instemming kan door elk van de landen zonder opgave van redenen worden onthouden.

Referenties: