Indonesië

Artikelindex

Indonesisch rechtssysteem

1. Gearresteerd, wat nu?

Zoals later uitgebreider zal worden toegelicht, zijn de Indonesische straffen hoog en de omstandigheden waarin ze uitgevoerd worden zwaar. Gehoorzaam dus de wet! Bovendien kent Indonesië een zeer strenge narcoticawetgeving. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen softdrugs en harddrugs. Op het bezit en de smokkel van drugs staat de doodstraf, overige druggerelateerde delicten worden bestraft met zeer lange gevangenisstraffen. Het vermijden van drugs is dan ook het devies. Neem geen pakjes aan, ook niet van bekenden. Gebruik en bezit geen drugs. Kortom wees op je hoede! Indien je toch verdacht wordt van een strafbaar feit en gearresteerd wordt, sta er dan op dat de Nederlandse ambassade, of het Nederlandse consulaat, gewaarschuwd worden. De consulaire medewerkers zullen je verder kunnen helpen met bijvoorbeeld het vinden van juridische bijstand. Wat de consulaire medewerkers NIET kunnen is je uit de gevangenis krijgen. Voor verder informatie over wat te doen bij arrestatie in het buitenland kan je kijken op de website van Buitenlandse Zaken: Gearresteerd in het buitenland.

2. Gerechtelijke structuur

Het Indonesische gerechtelijke systeem is opgebouwd uit verschillende lagen van rechtssprekende instanties. De rechtsprekende macht ligt bij de Lower Courts, de High Courts en de Supreme Court (artikel 24 Grondwet).

Lower Courts
In eerste aanleg wordt recht gesproken in de zogenaamde Lower Courts (General Courts, Military Courts, Administrative Courts en Religious Courts) (artikel 84, 85 en 86 Wetboek van Strafprocesrecht). Deze rechters doen een uitspraak over de schuld of onschuld van de verdachten en leggen een bepaalde straf op.

High Court
Tegen beslissingen van de lagere rechtbanken kan in beroep aangetekend worden bij een High Court (artikel 87 Wetboek van Strafprocesrecht). De High Court beoordeelt de beslissingen van de lagere rechtbank zowel inhoudelijk (materieel) als op de toepassing van het geldende recht (formeel).

Supreme Court
Tegen de uitspraak van de High Court kan beroep gedaan worden op de hoogste juridische instantie, de Supreme Court (artikel 88 Wetboek van Strafprocesrecht). De Supreme Court gaat echter niet inhoudelijk in op de beoordeling van de lagere rechtbanken. De Supreme Court kijkt alleen naar de applicatie van de wet door de lagere rechtbanken en de aanwezigheid van eventuele vormfouten (artikel 253 Wetboek van Strafprocesrecht). Als er na de beoordeling van de Supreme Court een novum gevonden wordt (een nieuw feit dat tot een andere beslissing zou kunnen leiden) kan er nogmaals beroep gedaan worden op de Supreme Court.

Verzoek om Presidentiële Clementie
Wanneer een verdachte veroordeeld is door de Supreme Court kan er een eenmalig verzoek om presidentiële clementie gedaan worden. De behandeling van een verzoek om clementie kan maanden duren. Er zijn echter weinig voorbeelden te vinden waarin het verzoek om clementie werd toegewezen.

3. Indonesisch strafrecht

Toen in 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië werd verklaard, is besloten dat de wetten, regelingen en instellingen zoals deze bestonden tijdens de koloniale tijd zouden voortbestaan, totdat ze vervangen werden voor nieuwe wetten, regelingen en instellingen. De basis voor het Indonesische recht is nog altijd het koloniale Nederlandse recht, dat geformuleerd werd in 1918. Wanneer de Indonesische Grondwet, het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht bestudeerd worden zijn de overeenkomsten met het Nederlandse recht duidelijk te zien. Het Indonesische geldende recht is een combinatie tussen het van oorsprong Nederlandse koloniale recht, het zogenaamde adat recht (gewoonterecht, recht gebaseerd op lokale gewoonten) en de Sharia (Islamitisch recht).

Sancties
Er kunnen verschillende straffen opgelegd worden (artikel 10 Wetboek van Strafrecht). Onder andere de doodstraf, (tijdelijke of levenslange) gevangenisstraf, huisarrest en boetes. Wanneer een verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf, moet de periode van het voorarrest hier vanaf getrokken worden (artikel 33). In het Indonesische Wetboek van Strafrecht worden ook de poging, uitlokking, medeplegen en medeplichtigheid van delicten strafbaar gesteld.

Delicten
Het Indonesisch Wetboek van Strafrecht is opgedeeld in verschillende delen. In het eerste deel van het Wetboek van Strafrecht worden verschillende procedures, strafverzwarende en strafverlichtende omstandigheden beschreven. Het tweede deel van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op misdrijven, het derde deel op overtredingen. Onder de misdrijven die strafbaar worden gesteld vallen misdrijven tegen de staat, misdrijven waarbij de veiligheid van mensen of eigendom wordt bedreigd (onder andere brandstichting en vandalisme), misdrijven tegen autoriteit (negeren ambtelijk bevel, omkoping en chantage), meineed, vervalsing, zedendelicten (o.a. het publiceren van beeld of tekst in strijd met de zedelijkheid, het hebben van een buitenechtelijke affaire, verkrachting, aanranding, seksueel contact met minderjarigen, vrouwenhandel, abortus en het gebruik van dwang bij seksuele handelingen), misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid (o.a. ontvoering en slavernij), misdrijven tegen het leven (o.a. moord, doodslag en abortus), mishandeling, diefstal, fraude en misdrijven door officiële functionarissen (aannemen van giften, zich laten omkopen, afdwingen van een bekentenis, afpersing, corruptie).

Drugsdelicten
In 2009 is er een nieuwe Indonesische Narcoticawet ingevoerd, die de narcoticawet van 1997 moest vervangen. Vergeleken met de Nederlandse drugswetgeving is de Indonesische wetgeving strenger; op een flink aantal drugsgerelateerde delicten staat te doodstraf. Het doel van de Narcoticawet staat beschreven in artikel 48, namelijk het beschermen van de bevolking tegen de gevaren van drugsmisbruik, het voorkomen en het uitroeien van de illegale handel in narcotica. In deze vernieuwde wet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten narcotica. Er wordt gesproken of groep 1, groep 2 en groep 3. De groepen worden gespecificeerd in de appendix van deze wet. Er wordt in Indonesië geen onderscheid gemaakt tussen soft drugs en hard drugs.

In hoofdstuk 15 (artikel 111 tot en met 129) van de Narcoticawet worden de verschillende druggerelateerde misdrijven strafbaar gesteld. Bijvoorbeeld het bezitten, vervoeren of verhandelen van planten die de grondstof zijn voor narcotica, het bezitten, vervoeren, verhandelen van overige grondstoffen, het bezitten, vervoeren, verhandelen van de verschillende narcotica (groep 1, groep 2 of groep 3), en nog een flink aantal andere druggerelateerde delicten. Tevens worden in dit hoofdstuk de minimum en maximum straffen voor de verschillende delicten geformuleerd. Vanaf artikel 130 en verder worden er verscheidene strafverzwarende omstandigheden geformuleerd. Volgens bepalingen van de Narcoticawet kan de doodstraf opgelegd worden voor delicten gerelateerd aan het bezit van grondstoffen of planten, de productie, smokkel, import, export en het bezit van narcotica. Andere straffen die opgelegd kunnen worden zijn geldboetes en gevangenisstraffen (variërend van een paar maanden tot levenslang). Ook de wijze waarop de verdenking van drugsmisdrijven onderzocht dienen te worden, staat beschreven in de Narcoticawet.

4. Indonesisch strafprocesrecht

In het Wetboek van Strafprocesrecht (KUHP, 1982) wordt het proces geregeld van de toepassing van het strafrecht. In dit wetboek wordt de procedure van de vervolging en veroordeling van een verdachte (vanaf het eerste contact met de politie tot de veroordeling en strafoplegging) geregeld. Uit verschillende bronnen blijkt helaas dat de bepalingen uit het Wetboek in praktijk dikwijls niet of gebrekkig toegepast worden.

Algemene bepalingen
In het Indonesisch strafrecht wordt verondersteld dat men onschuldig is totdat het tegendeel bewezen wordt. De verdachte heeft het recht om getuigen en experts op te roepen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De verdachte dient gevrijwaard te blijven van de criminalisering van zichzelf (artikel 66). De verdachte is niet bezwaard met het verzamelen van bewijs materiaal, de vervolger heeft deze taak. Bovendien heeft de verdachte in alle fasen van het onderzoek recht op juridische bijstand (artikel 54, 55, 56, 69,70,115). Voor veroordeling van een strafbaar feit zijn er twee verschillende bewijsmiddelen (afkomstig van verschillende bronnen) noodzakelijk (artikel 183). Een opvallend punt uit het Wetboek van Strafprocesrecht is dat jeugdigen vanaf 8 jaar strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden (in plaats van 12 jaar in Nederland).

Arrestatie
Wanneer de politie een verdachte arresteert, kan deze 1 dag vastgehouden worden. Direct na de arrestatie dient de familie van de verdachte op de hoogte gesteld te worden. Tevens dient de verdachte op de hoogte gesteld te worden van hetgeen hij verdacht wordt (artikel 51). Indien de verdachte geen Indonesisch spreekt wordt hij voorzien van een tolk (artikel 53). De politie moet de verdachte direct na arrestatie verhoren (artikel 50).

Tijdsbepalingen voorarrest
Een verdachte mag alleen in voorarrest gehouden worden wanneer hij verdacht wordt van een delict waar minimaal vijf jaar gevangenisstraf op staat (artikel 21). In het Wetboek van Strafprocesrecht zijn de termijnen opgenomen hoelang verdachten maximaal in voorarrest gehouden mogen worden (artikel 24, 25 en 26). De politie mag een verdachte 20 dagen in voorarrest houden. Deze termijn kan uitgebreid worden tot 60 dagen wanneer dit noodzakelijk is voor het onderzoek. In de praktijk blijkt dat deze maximale termijn van 61 dagen genormaliseerd is. Veel verdachten worden door de politie 61 dagen in voorarrest gehouden, een kortere periode is uitzondering. De vervolger (Openbaar Ministerie) mag een gedetineerde vervolgens nog eens 30 dagen gevangen houden tijdens het onderzoek. Deze periode kan met 20 dagen uitgebreid worden wanneer de rechtbank hiervoor toestemming geeft. Voor deze toestemming hoeft de rechter de verdachte niet in persona te zien. Dit betekent dat een verdachte 111 dagen vast kan zitten in voorarrest, zonder een rechter te zien.

Als de verdachte vervolgd wordt voor een delict waar een gevangenisstraf van negen jaar of langer op staat, of als de verdachte onderhevig is aan een geestelijke stoornis (artikel 29 Wetboek van Strafprocesrecht), kan de voorarrest periode, op last van de rechtbank, verlengd worden met 60 dagen. De rechtbanken en de gerechtshoven mogen de verdachte 90 dagen vasthouden tijdens de terechtzitting. De Supreme Court mag de verdachte 110 dagen vasthouden tijdens het onderzoeken van het hoger beroep.

Pre-trial procedure
In het Wetboek van Strafprocesrecht staat vastgelegd dat de verdachte recht heeft op een zogenaamde pre-trial procedure (artikel 77-83). In deze procedure wordt de verdachte voorgeleid aan een rechter die de arrestatie en het arrest beoordeeld op de vraag of het rechtmatig geschied is. Zoals eerder besproken is in de wet is echter opgenomen dat een verdachte 61 dagen in voorarrest zitten zonder dat er over de terechtheid van dit voorarrest geoordeeld wordt door een rechter.

Gerechtelijke procedure
In artikel 152 en verder van het Wetboek van Strafprocesrecht wordt de normale gerechtelijke procedure uiteengezet. Hierbij moet gedacht worden aan de dagvaarding, de aanwezigheid van een tolk indien noodzakelijk, het horen onder ede, de verschoningsgronden voor een rechter, de eisen die aan toelaatbaar bewijs worden gesteld en de wijze waarop tot een uitspraak gekomen wordt. In Indonesië is de terechtzitting in principe openbaar, ook voor de media.

Grofweg ziet de gerechtelijk procedure er als volgt uit: 1. Identificatie van de verdachte. 2. De vervolger draagt de strafbare feiten waarvan de verdachte verdacht wordt voor. 3. Het horen van getuigen onder ede (zowel van de kant van de verdachte als van de vervolger). 4. Na het horen van iedere getuige wordt de verdachte gevraagd naar zijn mening. 5. Het horen van experts onder ede (zowel van de kant van de verdachte als van de vervolger). 6. De bewijsmaterialen worden getoond aan de verdachte, de verdachte mag zijn mening geven. 7. De vervolger houdt een pleidooi en benoemt de strafbare feiten waarvan verdachte verdacht wordt. 8. De verdachte, of zijn juridische vertegenwoordiger, mag hier op reageren en pleidooi houden. Hier mag de vervolger weer op reageren etcetera. 9. De verdachte, of zijn juridische vertegenwoordiger, wordt altijd de mogelijkheid tot het laatste woord gegeven. 10. Beraadslaging door de rechter. 11. Uitspraak door de rechter.

In artikel 233 en verder wordt de procedure voor het hoger beroep geregeld. In deze artikelen wordt de procedure uiteengezet voor het beroep op een Higher Court en de Supreme Court. Bijvoorbeeld de wijze waarop bij een dergelijke instantie beroep aangetekend kan worden, gronden voor beroep en de gang van zaken tijdens het hoger beroep. Hierbij dient aangetekend te worden dat de Supreme Court niet inhoudelijk naar de zaak kijkt, maar enkel naar de toepassing van het recht door de lagere rechtbanken en de eventuele aanwezigheid van procedurele of vormfouten.

5. Doodstraf

In Indonesië kan men veroordeeld worden tot de doodstraf. Volgens het Wetboek van Strafrecht kan de doodstraf onder andere opgelegd worden voor misdrijven gerelateerd aan moord (artikel 340, 365, 444), misdrijven tegen de staatsveiligheid (artikel 111, 123, 124, 127, 140), moord op de President of de Vice President (artikel 104), drugsgerelateerde misdrijven (Law on Narcotics), misdrijven tegen de menselijkheid, zoals genocide (Law on Human Rights Courts) en misdrijven gerelateerd aan terrorisme (Law on Combating Criminal Acts of Terrorism).

Op basis van onderzoek in 2008 wordt vermoed dat er 112 gevangenen ter dood veroordeeld zijn. Hiervan wordt vermoed dat er minimaal 30 personen ter dood veroordeeld zijn voor drugsgerelateerde delicten. Er zijn ook buitenlandse gevangenen ter dood veroordeeld en in afwachting van hun executie. De inschatting van het aantal ter dood veroordeelden is echter moeilijk te maken, aangezien de Indonesische overheid geen officiële cijfers vrij geeft. De ter dood veroordeelden zitten vaak in een jarenlange onzekerheid of en wanneer de executie plaats zal vinden. Zij leven vaak jarenlang in erbarmelijke omstandigheden in deze onzekerheid, het wachten en de dood die als het zwaard van Damokles boven het hoofd hangt. De doodstraf wordt in Indonesië uitgevoerd door middel van een vuurpeloton. De afgelopen tien jaar zijn er nauwelijks executies uitgevoerd. De doodstraf is voor het laatst toegepast in 2008. Toen werden Ali Gufron, Imam Samudra en Amrozi Nurhasyim geëxecuteerd voor hun rol in de bomexplosie op Bali in 2002.

Het toepassen van de doodstraf is zeer omstreden. In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) wordt het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Voor de doodstraf is er namelijk een uitzondering gemaakt. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf alleen uitgevoerd zou moeten worden voor de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden.

Tegenstanders stellen dat de zwakte van de doodstraf in de onomkeerbaarheid zit. Bovendien is, zeker wanneer het functioneren van het juridische systeem van Indonesië onder de loep genomen wordt, de kans op onterechte veroordeling van onschuldigen aanwezig. Uit rapportages van mensenrechtenorganisaties blijkt dat er in Indonesië lang niet altijd sprake is van een eerlijk proces, zoals dat in internationale wetgeving is vastgelegd. Verklaringen worden verkregen door middel van marteling, de toegang tot juridische bijstand of een tolk wordt de verdachte ontzegd etc. Dit maakt de handhaving van de doodstraf als sanctie nog minder wenselijk.

Bovendien wordt ook het afschrikkende effect van de doodstraf in vele criminologische studies betwijfeld. Uit onderzoek gebleken dat de doodstraf niet effectiever is in het afschrikken van potentiële criminelen dan andersoortige straffen.


Referenties

  • Amnesty International (2004). Indonesia: a briefing on the death penalty.
  • Amnesty International (2008). Indonesia: Amnesty International report: 2008.
  • D. Fitzpatrick (2008). Culture, ideology and human rights: The case of Indonesia’s Code of Criminal Procedure. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • Human Rights Watch (1990). Prison conditions in Indonesia. New York: Human Rights Watch.
  • Human Rights Watch (2009). Human Rights Report: Indonesia.
  • J. Herbert (2008). The legal framework of human rights in Indonesia. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • J.M. Otto (2006). Sharia en nationaal recht in Indonesië. In: Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp.269-302.
  • M. Termorshuizen-Arts (2000). Een Indonesisch juridisch woordenboek. In: Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde, 156 (1), pp. 57-82.
  • T. Lindsey & M.A. Santosa (2008). The trajectory of law reform in Indonesia: A short overview of legal systems and change in Indonesia. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • United Nations (2008). Mission to Indonesia: Report of the special rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment.
  • The Republic of Indonesia (1981). Lawbook on the Code of Criminal Procedure.
  • The Republic of Indonesia (1982). Penal Code of Indonesia.
  • The Republic of Indonesia (2009). Narcotics Law.