Indonesië

Artikelindex

Internationaal recht in Indonesië

Vanaf de Reformasi (1998) hebben mensenrechten in Indonesië grote ontwikkelingen doorgemaakt. Steeds meer mensenrechten worden gewaarborgd in het Indonesische recht en er zijn verschillende internationale mensenrechtenverdragen getekend en geratificeerd. Zo is Indonesië onder andere verdragspartij bij het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (sinds 2006, het optionele protocol is niet ondertekend) en the United Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT, sinds 1998). Ook al heeft de Indonesische overheid de afgelopen decennia haar best gedaan de internationaal geldende mensenrechten te waarborgen, nog altijd blijken deze waarborgen niet voldoende.

Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR)

Zoals eerder gesteld is het IVBPR ondertekend door de Indonesische overheid. Dit betekent dat dit verdrag een directe gelding heeft in het Indonesische recht. In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met internationaal recht. Onder andere de volgende burgerrechten zijn vastgelegd in het IVBPR: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd wordt en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR staat ook vastgelegd dat er een juridische grond nodig is om iemand te kunnen veroordelen voor een bepaald feit.

In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) wordt het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits de doodstraf beperkt wordt tot de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden. Uit het IVBPR vloeien ook een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden van de reden van de arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van detentie te laten bepalen, het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden en het recht om onschuldig gehouden te worden totdat de schuld bewezen is.

Bovendien worden er in het IVBPR een aantal minimumgaranties gesteld waar een ieder recht op heeft bij een ingestelde strafvervolging (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van de vervolging, het recht getuigen te ondervragen en getuigen op te roepen, het recht op een tolk en het recht om niet gedwongen te worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

United Nations Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT)

Indonesië is verdragspartij bij de UN Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT). Dit verdrag ziet erop toe dat een ieder in de verdragslanden gevrijwaard blijft van marteling, ill treatment, wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing. De United Nations houdt toezicht op de naleving van het verdrag. Hiertoe worden regelmatig bezoeken aan de verdragslanden gebracht, waarvan de resultaten opgetekend worden in rapportages.

In artikel 28G en artikel 28I van de Indonesische grondwet staat dat iedereen gevrijwaard moet blijven van ill treatment. Ook al heeft Indonesië het UNCAT verdrag ondertekend, in de praktijk blijkt er toch regelmatig sprake te zijn van ill treatment van verdachten, veroordeelden, gevangenen en overige kwetsbare groepen in de samenleving. Problematisch is dat de nationale wetten geen volledige bescherming van de bevolking tegen marteling en ill treatment bieden. Marteling is namelijk niet expliciet verboden in het Indonesische Wetboek van Strafrecht, waardoor vervolging niet noodzakelijk en zelfs moeizaam is. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie van marteling en criminaliseert alleen ill treatment.

Een ander problematisch punt is de toelaatbaarheid van bewijs, verkregen door middel van ill treatment in de Indonesische rechtszaal. Het met geweld of bedreiging dwingen van verdachten om een bekentenis te verkrijgen door officials is, volgens het Wetboek van Strafprocesrecht (artikel 442), strafbaar met maximaal 4 jaar gevangenisstraf. In tegenstelling tot artikel 15 van UNCAT is er in het Indonesische Wetboek van Straf(proces)recht echter nergens vast gelegd dat bewijs verkregen door marteling of ill treatment niet toelaatbaar is als bewijs tijdens de rechtszaak. De rechter heeft discretionaire bevoegdheid over de toelaatbaarheid van bewijs. Aangezien bewijs, verkregen door middel van ill treatment, niet per definitie uitgesloten is, is er nog steeds een reden voor de politie om de verdachte onder druk te zetten en op die wijze bewijs of verklaringen te verkrijgen. De naleving van het UNCAT verdrag laat in Indonesië dus te wensen over. In de toekomst zal de Indonesische wet aangepast moeten worden en zal er nog strikter moeten worden toegezien op de naleving van het UNCAT verdrag.

Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners

In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. Dit verdrag is niet bindend, maar geeft richtlijnen aan voor de behandeling van gevangenen en de omstandigheden in gevangenissen. Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodatie van de gevangenen (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gevangenen, de kleding en slaapplekken van gevangenen, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gevangenen. Volgens de richtlijnen zou er in iedere gevangenis de mogelijkheid moeten zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gevangenen contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel richtlijnen zijn. Deze richtlijnen zijn niet van rechtswege afdwingbaar. Overheden zijn niet verplicht zich aan deze richtlijnen te houden. Helaas blijken de richtlijnen in Indonesië meer utopie dan praktijk. Dit zal onder andere blijken uit het hoofdstuk over de omstandigheden van de gevangenissen en de behandeling van gevangenen in Indonesië.

WOTS-verdrag

Indonesië is tot op heden geen verdragspartij bij het WOTS verdrag (Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen). Dit verdrag maakt het voor de gevangene, onder bepaalde omstandigheden, mogelijk om (een deel van) hun straf uit te zitten in een Nederlandse gevangenis. Voor de toekomst zijn er voornemens om een dergelijk verdrag ook tussen Nederland en Indonesië op te stellen en te tekenen.


Referenties

  • Amnesty International (2009). Report: Unfinished business, police accountability in Indonesia.
  • J.M. Otto (2006). Sharia en nationaal recht in Indonesië. In: Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp.269-302.
  • Ministerie van Justitie (1986). Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen.
  • United Nations (1984). Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment.
  • United Nations (1966). International Convenant on Civil and Political Rights.
  • United Nations (1955). Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners.