Indonesië

Artikelindex

Algemeen

1. Geografische ligging
De Republiek Indonesië (Republik Indonesia) is een eilandenarchipel in Zuidoost Azië, en grenst aan Papua-Nieuw Guinea, Oost-Timor en Maleisië. Indonesië ligt op de zogenaamde ‘Ring van Vuur’. Dit is een gebied in de Grote Oceaan waar regelmatig aardbevingen, zeebevingen en vulkaanuitbarstingen plaatsvinden. In Indonesië zijn 129 actieve vulkanen te vinden. De Indonesische archipel bestaat uit 17.000-20.000 eilanden, waarvan minimaal 8.000 eilanden onbewoond zijn. Het precieze aantal eilanden is niet bekend. De hoofdstad van Indonesië is Jakarta, gelegen op het eiland Java.

2. Klimaat
Aangezien Indonesië nabij de evenaar ligt, zijn de temperaturen gedurende het hele jaar ongeveer hetzelfde, zo rond de 30 graden Celsius. Indonesië kent twee seizoenen; het regenseizoen en het droge seizoen. Het regenseizoen (musim hujan) loopt van oktober tot en met april. Tijdens het regenseizoen kan het dagen aaneengesloten regenen met alle gevolgen van dien (landverschuivingen, overstromingen, verkeersstremmingen, het onderlopen van huizen etc.). Het droge seizoen (musim panas) loopt van mei tot en met september.

3. Tijdsverschil
Indonesië is opgedeeld in drie tijdszones. Het is in Indonesië later dan in Nederland. De mate van het tijdsverschil is afhankelijk van de tijdszone in Indonesië, en of het winter- of zomertijd is in Nederland. Java, Sumatra, West en Noord Kalimantan vallen onder de West Indonesische tijdszone. Tijdens de zomertijd is het hier vijf uur later dan in Nederland, tijdens de wintertijd is het tijdsverschil zes uur. Onder de Centraal Indonesische tijdszone vallen Bali, Nusa Tenggara, Zuid en Oost Kalimantan en Sulawesi. Het tijdsverschil tussen Nederland en de Centraal Indonesische tijdszone is gedurende de zomertijd zes uur en tijdens de wintertijd zeven uur. Papua en Maluka vallen onder de Oost Indonesische tijdszone. Dit betekent dat het tijdsverschil gedurende de zomertijd zeven uur is en tijdens de wintertijd acht uur bedraagt.

4. Motto
Indonesië is opgebouwd uit verschillende bevolkingsgroepen met uiteenlopende culturen, etnische achtergronden, talen, godsdiensten en geschiedenissen. Door deze verscheidenheid kan niet gesproken worden van de Indonesische cultuur. Indonesië staat, ondanks deze verscheidenheid, toch een eenheid voor. Het Indonesische motto luidt dan ook als volgt: Bhinneka Tunggal Ika. Dit betekent, vrij vertaald, Eenheid in diversiteit.

5. Bevolking
Qua inwonersaantal is Indonesië het op drie na grootste land ter wereld. Volgens de laatste volkstelling, die dateert uit 2009, wonen er meer dan 240 miljoen mensen in Indonesië. Dit bevolkingsaantal zal de komende decennia verder groeien. Momenteel is er een bevolkingsgroei van ongeveer 1% (2.4 miljoen mensen) per jaar. Meer dan de helft van de totale Indonesische populatie is woonachtig in stedelijke gebieden. Java is het dichtst bevolkte eiland van Indonesië. Er wonen ongeveer 130 miljoen mensen op Java. De levensverwachting van de Indonesische bevolking is 70.5 jaar. Van de volwassen bevolking is 92% analfabeet.

6. Taal
In Indonesië worden meer dan 300 verschillende talen gesproken. Deze talen variëren van dialecten tot volwaardige talen. De nationale taal, die vrijwel overal gesproken wordt, is het Bahasa Indonesia.

7. Godsdienst
De Indonesische Grondwet garandeert vrijheid van godsdienst. Deze vrijheid is echter wel aan een beperking onderhevig. De Grondwet stelt dat de staat gebaseerd is ‘op het geloof in die ene en enige god’. Hieruit volgt dat volgens de Grondwet iedere Indonesische inwoner (tenminste op papier) dient te geloven in één van de zes erkende godsdiensten; atheïsme wordt niet erkend. De erkende godsdiensten zijn de Islam, het Katholicisme, het Protestantisme, het Hindoeïsme, het Boeddhisme en het Confucianisme. De Islam is de meest voorkomende godsdienst in Indonesië. Ruim 86% van de Indonesische bevolking is Islamitisch. Dit maakt Indonesië de grootste Islamitische moslimbevolking van de wereld. 10% van de bevolking is Christelijk, 3% van de Indonesische bevolking is Hindoe en 1% is aanhanger van het Boeddhisme.

8. Geschiedenis
Indonesië kent een roerige geschiedenis. Vanwege de grote diversiteit en rijkdom aan natuurlijke grondstoffen is de Indonesische archipel altijd zeer aantrekkelijk geweest voor handelaars van over de hele wereld. Deze buitenlandse krachten hebben invloed gehad op verschillende culturele aspecten in Indonesië. In de eerste eeuwen na Christus zorgde de invloed van India voor de verspreiding van het Hindoeïsme en Boeddhisme in Indonesië. Islamitische handelaren brachten later de Islam met zich mee. Vanaf de zestiende eeuw zijn er verschillende Europese ontdekkingsreizigers geweest die in de Indonesische specerijen handelden. De Nederlandse VOC (Verenigde Oost Indische Compagnie) vestigde zich in 1602 in Indonesië en er volgde een bloeiende specerijenhandel. In 1798 ging de VOC failliet en werd Indonesië een nationale kolonie van Nederland. Indonesië droeg in deze tijd de naam Nederlands Oost-Indie. Nederlands Oost-Indie bleef tot de Tweede Wereldoorlog een kolonie van Nederland. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Nederlands Oost-Indie bezet door de Japanners. Gedurende deze bezetting kon de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging groeien. Het gevolg hiervan was dat in 1945, na het beëindigen van de Japanse bezetting en de Tweede Wereldoorlog, de onafhankelijke Republiek Indonesië werd uitgeroepen. De Indonesische onafhankelijkheid werd echter pas in 1949 door Nederland erkend.

9. Politieke structuur
In 1945 riep Sukarno de onafhankelijkheid en de Republiek Indonesië uit. Sukarno werd de eerste president van de Republiek Indonesië. Hij regeerde op autoritaire wijze tot en met 1967. Het toenmalige hoofd van het leger, Suharto, werd in 1967 President. De heerschappij van Suharto kenmerkte zich, evenals die van Sukarno, door een autoritaire leidingstijl, corruptie en onderdrukking van politieke oppositie. Maar ook door steun van de VS en een stabiele economische groei. In 1998 werd president Suharto tijdens de Reformasi afgezet. Sindsdien is er een overgang zichtbaar tussen het voorheen autoritaire staatssysteem naar een meer democratisch systeem. Na het autoritaire bewind van Suharto volgden er vier presidenten in de geschiedenis van Indonesië: Habibie, Wahid, Sukarnoputri en sinds 2004 Susilo Bambang Yudhoyono. In 2004 werd de President voor het eerst rechtstreeks door het volk gekozen. Voorheen werd alleen de Vice President door het volk gekozen. De Vice President stelde vervolgens een President aan.

In principe heeft iedere volwassen inwoner van Indonesië stemrecht. Er zijn echter een aantal uitzonderingen. De volgende groepen hebben geen stemrecht: bepaalde actieve leden van het leger en de politie, veroordeelde criminelen met een gevangenisstraf van vijf jaar of meer, personen met geestelijke stoornissen en personen waarvan het stemrecht af is genomen door het oordeel van een rechter. Minderjarigen (zowel jongens als meisjes) die getrouwd zijn worden als volwassen gezien, en hebben derhalve ook het recht om te stemmen.

Indonesië kan anno 2010 gezien worden een republiek met een gekozen parlement en een gekozen President. In het parlement zetelen vertegenwoordigers van allerhande politieke partijen. De wetgevende macht ligt bij het parlement, bestaande uit een Eerste en een Tweede Kamer. De uitvoerende macht ligt bij de President. Er is in principe sprake van een onafhankelijke rechtssprekende macht. De onafhankelijkheid van de rechtssprekende macht is echter zeer omstreden, voornamelijk omdat de rechtssprekende macht vaak in één adem met corruptie genoemd wordt.


Referenties

  • J.M. Otto (2006). Sharia en nationaal recht in Indonesië. In: Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp.269-302.
  • www.landenweb.nl
  • Lindsey, T. & Santosa, M.A. (2008). The trajectory of law reform in Indonesia: A short overview of legal systems and change in Indonesia. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • R. Ver Berkmoes, M. Cohen, M. Elliott, T. Holden, G. Mitra, J. Noble, A. Skolnick, I. Stewart & S. Waters (2009). Lonely planet: Indonesia. Australia: Lonely Planet Publications Pty Ltd.
  • www.wikipedia.nl

Internationaal recht in Indonesië

Vanaf de Reformasi (1998) hebben mensenrechten in Indonesië grote ontwikkelingen doorgemaakt. Steeds meer mensenrechten worden gewaarborgd in het Indonesische recht en er zijn verschillende internationale mensenrechtenverdragen getekend en geratificeerd. Zo is Indonesië onder andere verdragspartij bij het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (sinds 2006, het optionele protocol is niet ondertekend) en the United Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT, sinds 1998). Ook al heeft de Indonesische overheid de afgelopen decennia haar best gedaan de internationaal geldende mensenrechten te waarborgen, nog altijd blijken deze waarborgen niet voldoende.

Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR)

Zoals eerder gesteld is het IVBPR ondertekend door de Indonesische overheid. Dit betekent dat dit verdrag een directe gelding heeft in het Indonesische recht. In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met internationaal recht. Onder andere de volgende burgerrechten zijn vastgelegd in het IVBPR: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd wordt en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR staat ook vastgelegd dat er een juridische grond nodig is om iemand te kunnen veroordelen voor een bepaald feit.

In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) wordt het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits de doodstraf beperkt wordt tot de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden. Uit het IVBPR vloeien ook een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden van de reden van de arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van detentie te laten bepalen, het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden en het recht om onschuldig gehouden te worden totdat de schuld bewezen is.

Bovendien worden er in het IVBPR een aantal minimumgaranties gesteld waar een ieder recht op heeft bij een ingestelde strafvervolging (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van de vervolging, het recht getuigen te ondervragen en getuigen op te roepen, het recht op een tolk en het recht om niet gedwongen te worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

United Nations Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT)

Indonesië is verdragspartij bij de UN Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT). Dit verdrag ziet erop toe dat een ieder in de verdragslanden gevrijwaard blijft van marteling, ill treatment, wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing. De United Nations houdt toezicht op de naleving van het verdrag. Hiertoe worden regelmatig bezoeken aan de verdragslanden gebracht, waarvan de resultaten opgetekend worden in rapportages.

In artikel 28G en artikel 28I van de Indonesische grondwet staat dat iedereen gevrijwaard moet blijven van ill treatment. Ook al heeft Indonesië het UNCAT verdrag ondertekend, in de praktijk blijkt er toch regelmatig sprake te zijn van ill treatment van verdachten, veroordeelden, gevangenen en overige kwetsbare groepen in de samenleving. Problematisch is dat de nationale wetten geen volledige bescherming van de bevolking tegen marteling en ill treatment bieden. Marteling is namelijk niet expliciet verboden in het Indonesische Wetboek van Strafrecht, waardoor vervolging niet noodzakelijk en zelfs moeizaam is. Het Wetboek van Strafrecht bevat geen definitie van marteling en criminaliseert alleen ill treatment.

Een ander problematisch punt is de toelaatbaarheid van bewijs, verkregen door middel van ill treatment in de Indonesische rechtszaal. Het met geweld of bedreiging dwingen van verdachten om een bekentenis te verkrijgen door officials is, volgens het Wetboek van Strafprocesrecht (artikel 442), strafbaar met maximaal 4 jaar gevangenisstraf. In tegenstelling tot artikel 15 van UNCAT is er in het Indonesische Wetboek van Straf(proces)recht echter nergens vast gelegd dat bewijs verkregen door marteling of ill treatment niet toelaatbaar is als bewijs tijdens de rechtszaak. De rechter heeft discretionaire bevoegdheid over de toelaatbaarheid van bewijs. Aangezien bewijs, verkregen door middel van ill treatment, niet per definitie uitgesloten is, is er nog steeds een reden voor de politie om de verdachte onder druk te zetten en op die wijze bewijs of verklaringen te verkrijgen. De naleving van het UNCAT verdrag laat in Indonesië dus te wensen over. In de toekomst zal de Indonesische wet aangepast moeten worden en zal er nog strikter moeten worden toegezien op de naleving van het UNCAT verdrag.

Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners

In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. Dit verdrag is niet bindend, maar geeft richtlijnen aan voor de behandeling van gevangenen en de omstandigheden in gevangenissen. Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodatie van de gevangenen (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gevangenen, de kleding en slaapplekken van gevangenen, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gevangenen. Volgens de richtlijnen zou er in iedere gevangenis de mogelijkheid moeten zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gevangenen contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel richtlijnen zijn. Deze richtlijnen zijn niet van rechtswege afdwingbaar. Overheden zijn niet verplicht zich aan deze richtlijnen te houden. Helaas blijken de richtlijnen in Indonesië meer utopie dan praktijk. Dit zal onder andere blijken uit het hoofdstuk over de omstandigheden van de gevangenissen en de behandeling van gevangenen in Indonesië.

WOTS-verdrag

Indonesië is tot op heden geen verdragspartij bij het WOTS verdrag (Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen). Dit verdrag maakt het voor de gevangene, onder bepaalde omstandigheden, mogelijk om (een deel van) hun straf uit te zitten in een Nederlandse gevangenis. Voor de toekomst zijn er voornemens om een dergelijk verdrag ook tussen Nederland en Indonesië op te stellen en te tekenen.


Referenties

  • Amnesty International (2009). Report: Unfinished business, police accountability in Indonesia.
  • J.M. Otto (2006). Sharia en nationaal recht in Indonesië. In: Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp.269-302.
  • Ministerie van Justitie (1986). Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen.
  • United Nations (1984). Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment.
  • United Nations (1966). International Convenant on Civil and Political Rights.
  • United Nations (1955). Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners.

Indonesisch rechtssysteem

1. Gearresteerd, wat nu?

Zoals later uitgebreider zal worden toegelicht, zijn de Indonesische straffen hoog en de omstandigheden waarin ze uitgevoerd worden zwaar. Gehoorzaam dus de wet! Bovendien kent Indonesië een zeer strenge narcoticawetgeving. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen softdrugs en harddrugs. Op het bezit en de smokkel van drugs staat de doodstraf, overige druggerelateerde delicten worden bestraft met zeer lange gevangenisstraffen. Het vermijden van drugs is dan ook het devies. Neem geen pakjes aan, ook niet van bekenden. Gebruik en bezit geen drugs. Kortom wees op je hoede! Indien je toch verdacht wordt van een strafbaar feit en gearresteerd wordt, sta er dan op dat de Nederlandse ambassade, of het Nederlandse consulaat, gewaarschuwd worden. De consulaire medewerkers zullen je verder kunnen helpen met bijvoorbeeld het vinden van juridische bijstand. Wat de consulaire medewerkers NIET kunnen is je uit de gevangenis krijgen. Voor verder informatie over wat te doen bij arrestatie in het buitenland kan je kijken op de website van Buitenlandse Zaken: Gearresteerd in het buitenland.

2. Gerechtelijke structuur

Het Indonesische gerechtelijke systeem is opgebouwd uit verschillende lagen van rechtssprekende instanties. De rechtsprekende macht ligt bij de Lower Courts, de High Courts en de Supreme Court (artikel 24 Grondwet).

Lower Courts
In eerste aanleg wordt recht gesproken in de zogenaamde Lower Courts (General Courts, Military Courts, Administrative Courts en Religious Courts) (artikel 84, 85 en 86 Wetboek van Strafprocesrecht). Deze rechters doen een uitspraak over de schuld of onschuld van de verdachten en leggen een bepaalde straf op.

High Court
Tegen beslissingen van de lagere rechtbanken kan in beroep aangetekend worden bij een High Court (artikel 87 Wetboek van Strafprocesrecht). De High Court beoordeelt de beslissingen van de lagere rechtbank zowel inhoudelijk (materieel) als op de toepassing van het geldende recht (formeel).

Supreme Court
Tegen de uitspraak van de High Court kan beroep gedaan worden op de hoogste juridische instantie, de Supreme Court (artikel 88 Wetboek van Strafprocesrecht). De Supreme Court gaat echter niet inhoudelijk in op de beoordeling van de lagere rechtbanken. De Supreme Court kijkt alleen naar de applicatie van de wet door de lagere rechtbanken en de aanwezigheid van eventuele vormfouten (artikel 253 Wetboek van Strafprocesrecht). Als er na de beoordeling van de Supreme Court een novum gevonden wordt (een nieuw feit dat tot een andere beslissing zou kunnen leiden) kan er nogmaals beroep gedaan worden op de Supreme Court.

Verzoek om Presidentiële Clementie
Wanneer een verdachte veroordeeld is door de Supreme Court kan er een eenmalig verzoek om presidentiële clementie gedaan worden. De behandeling van een verzoek om clementie kan maanden duren. Er zijn echter weinig voorbeelden te vinden waarin het verzoek om clementie werd toegewezen.

3. Indonesisch strafrecht

Toen in 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië werd verklaard, is besloten dat de wetten, regelingen en instellingen zoals deze bestonden tijdens de koloniale tijd zouden voortbestaan, totdat ze vervangen werden voor nieuwe wetten, regelingen en instellingen. De basis voor het Indonesische recht is nog altijd het koloniale Nederlandse recht, dat geformuleerd werd in 1918. Wanneer de Indonesische Grondwet, het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht bestudeerd worden zijn de overeenkomsten met het Nederlandse recht duidelijk te zien. Het Indonesische geldende recht is een combinatie tussen het van oorsprong Nederlandse koloniale recht, het zogenaamde adat recht (gewoonterecht, recht gebaseerd op lokale gewoonten) en de Sharia (Islamitisch recht).

Sancties
Er kunnen verschillende straffen opgelegd worden (artikel 10 Wetboek van Strafrecht). Onder andere de doodstraf, (tijdelijke of levenslange) gevangenisstraf, huisarrest en boetes. Wanneer een verdachte veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf, moet de periode van het voorarrest hier vanaf getrokken worden (artikel 33). In het Indonesische Wetboek van Strafrecht worden ook de poging, uitlokking, medeplegen en medeplichtigheid van delicten strafbaar gesteld.

Delicten
Het Indonesisch Wetboek van Strafrecht is opgedeeld in verschillende delen. In het eerste deel van het Wetboek van Strafrecht worden verschillende procedures, strafverzwarende en strafverlichtende omstandigheden beschreven. Het tweede deel van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op misdrijven, het derde deel op overtredingen. Onder de misdrijven die strafbaar worden gesteld vallen misdrijven tegen de staat, misdrijven waarbij de veiligheid van mensen of eigendom wordt bedreigd (onder andere brandstichting en vandalisme), misdrijven tegen autoriteit (negeren ambtelijk bevel, omkoping en chantage), meineed, vervalsing, zedendelicten (o.a. het publiceren van beeld of tekst in strijd met de zedelijkheid, het hebben van een buitenechtelijke affaire, verkrachting, aanranding, seksueel contact met minderjarigen, vrouwenhandel, abortus en het gebruik van dwang bij seksuele handelingen), misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid (o.a. ontvoering en slavernij), misdrijven tegen het leven (o.a. moord, doodslag en abortus), mishandeling, diefstal, fraude en misdrijven door officiële functionarissen (aannemen van giften, zich laten omkopen, afdwingen van een bekentenis, afpersing, corruptie).

Drugsdelicten
In 2009 is er een nieuwe Indonesische Narcoticawet ingevoerd, die de narcoticawet van 1997 moest vervangen. Vergeleken met de Nederlandse drugswetgeving is de Indonesische wetgeving strenger; op een flink aantal drugsgerelateerde delicten staat te doodstraf. Het doel van de Narcoticawet staat beschreven in artikel 48, namelijk het beschermen van de bevolking tegen de gevaren van drugsmisbruik, het voorkomen en het uitroeien van de illegale handel in narcotica. In deze vernieuwde wet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten narcotica. Er wordt gesproken of groep 1, groep 2 en groep 3. De groepen worden gespecificeerd in de appendix van deze wet. Er wordt in Indonesië geen onderscheid gemaakt tussen soft drugs en hard drugs.

In hoofdstuk 15 (artikel 111 tot en met 129) van de Narcoticawet worden de verschillende druggerelateerde misdrijven strafbaar gesteld. Bijvoorbeeld het bezitten, vervoeren of verhandelen van planten die de grondstof zijn voor narcotica, het bezitten, vervoeren, verhandelen van overige grondstoffen, het bezitten, vervoeren, verhandelen van de verschillende narcotica (groep 1, groep 2 of groep 3), en nog een flink aantal andere druggerelateerde delicten. Tevens worden in dit hoofdstuk de minimum en maximum straffen voor de verschillende delicten geformuleerd. Vanaf artikel 130 en verder worden er verscheidene strafverzwarende omstandigheden geformuleerd. Volgens bepalingen van de Narcoticawet kan de doodstraf opgelegd worden voor delicten gerelateerd aan het bezit van grondstoffen of planten, de productie, smokkel, import, export en het bezit van narcotica. Andere straffen die opgelegd kunnen worden zijn geldboetes en gevangenisstraffen (variërend van een paar maanden tot levenslang). Ook de wijze waarop de verdenking van drugsmisdrijven onderzocht dienen te worden, staat beschreven in de Narcoticawet.

4. Indonesisch strafprocesrecht

In het Wetboek van Strafprocesrecht (KUHP, 1982) wordt het proces geregeld van de toepassing van het strafrecht. In dit wetboek wordt de procedure van de vervolging en veroordeling van een verdachte (vanaf het eerste contact met de politie tot de veroordeling en strafoplegging) geregeld. Uit verschillende bronnen blijkt helaas dat de bepalingen uit het Wetboek in praktijk dikwijls niet of gebrekkig toegepast worden.

Algemene bepalingen
In het Indonesisch strafrecht wordt verondersteld dat men onschuldig is totdat het tegendeel bewezen wordt. De verdachte heeft het recht om getuigen en experts op te roepen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De verdachte dient gevrijwaard te blijven van de criminalisering van zichzelf (artikel 66). De verdachte is niet bezwaard met het verzamelen van bewijs materiaal, de vervolger heeft deze taak. Bovendien heeft de verdachte in alle fasen van het onderzoek recht op juridische bijstand (artikel 54, 55, 56, 69,70,115). Voor veroordeling van een strafbaar feit zijn er twee verschillende bewijsmiddelen (afkomstig van verschillende bronnen) noodzakelijk (artikel 183). Een opvallend punt uit het Wetboek van Strafprocesrecht is dat jeugdigen vanaf 8 jaar strafrechtelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden (in plaats van 12 jaar in Nederland).

Arrestatie
Wanneer de politie een verdachte arresteert, kan deze 1 dag vastgehouden worden. Direct na de arrestatie dient de familie van de verdachte op de hoogte gesteld te worden. Tevens dient de verdachte op de hoogte gesteld te worden van hetgeen hij verdacht wordt (artikel 51). Indien de verdachte geen Indonesisch spreekt wordt hij voorzien van een tolk (artikel 53). De politie moet de verdachte direct na arrestatie verhoren (artikel 50).

Tijdsbepalingen voorarrest
Een verdachte mag alleen in voorarrest gehouden worden wanneer hij verdacht wordt van een delict waar minimaal vijf jaar gevangenisstraf op staat (artikel 21). In het Wetboek van Strafprocesrecht zijn de termijnen opgenomen hoelang verdachten maximaal in voorarrest gehouden mogen worden (artikel 24, 25 en 26). De politie mag een verdachte 20 dagen in voorarrest houden. Deze termijn kan uitgebreid worden tot 60 dagen wanneer dit noodzakelijk is voor het onderzoek. In de praktijk blijkt dat deze maximale termijn van 61 dagen genormaliseerd is. Veel verdachten worden door de politie 61 dagen in voorarrest gehouden, een kortere periode is uitzondering. De vervolger (Openbaar Ministerie) mag een gedetineerde vervolgens nog eens 30 dagen gevangen houden tijdens het onderzoek. Deze periode kan met 20 dagen uitgebreid worden wanneer de rechtbank hiervoor toestemming geeft. Voor deze toestemming hoeft de rechter de verdachte niet in persona te zien. Dit betekent dat een verdachte 111 dagen vast kan zitten in voorarrest, zonder een rechter te zien.

Als de verdachte vervolgd wordt voor een delict waar een gevangenisstraf van negen jaar of langer op staat, of als de verdachte onderhevig is aan een geestelijke stoornis (artikel 29 Wetboek van Strafprocesrecht), kan de voorarrest periode, op last van de rechtbank, verlengd worden met 60 dagen. De rechtbanken en de gerechtshoven mogen de verdachte 90 dagen vasthouden tijdens de terechtzitting. De Supreme Court mag de verdachte 110 dagen vasthouden tijdens het onderzoeken van het hoger beroep.

Pre-trial procedure
In het Wetboek van Strafprocesrecht staat vastgelegd dat de verdachte recht heeft op een zogenaamde pre-trial procedure (artikel 77-83). In deze procedure wordt de verdachte voorgeleid aan een rechter die de arrestatie en het arrest beoordeeld op de vraag of het rechtmatig geschied is. Zoals eerder besproken is in de wet is echter opgenomen dat een verdachte 61 dagen in voorarrest zitten zonder dat er over de terechtheid van dit voorarrest geoordeeld wordt door een rechter.

Gerechtelijke procedure
In artikel 152 en verder van het Wetboek van Strafprocesrecht wordt de normale gerechtelijke procedure uiteengezet. Hierbij moet gedacht worden aan de dagvaarding, de aanwezigheid van een tolk indien noodzakelijk, het horen onder ede, de verschoningsgronden voor een rechter, de eisen die aan toelaatbaar bewijs worden gesteld en de wijze waarop tot een uitspraak gekomen wordt. In Indonesië is de terechtzitting in principe openbaar, ook voor de media.

Grofweg ziet de gerechtelijk procedure er als volgt uit: 1. Identificatie van de verdachte. 2. De vervolger draagt de strafbare feiten waarvan de verdachte verdacht wordt voor. 3. Het horen van getuigen onder ede (zowel van de kant van de verdachte als van de vervolger). 4. Na het horen van iedere getuige wordt de verdachte gevraagd naar zijn mening. 5. Het horen van experts onder ede (zowel van de kant van de verdachte als van de vervolger). 6. De bewijsmaterialen worden getoond aan de verdachte, de verdachte mag zijn mening geven. 7. De vervolger houdt een pleidooi en benoemt de strafbare feiten waarvan verdachte verdacht wordt. 8. De verdachte, of zijn juridische vertegenwoordiger, mag hier op reageren en pleidooi houden. Hier mag de vervolger weer op reageren etcetera. 9. De verdachte, of zijn juridische vertegenwoordiger, wordt altijd de mogelijkheid tot het laatste woord gegeven. 10. Beraadslaging door de rechter. 11. Uitspraak door de rechter.

In artikel 233 en verder wordt de procedure voor het hoger beroep geregeld. In deze artikelen wordt de procedure uiteengezet voor het beroep op een Higher Court en de Supreme Court. Bijvoorbeeld de wijze waarop bij een dergelijke instantie beroep aangetekend kan worden, gronden voor beroep en de gang van zaken tijdens het hoger beroep. Hierbij dient aangetekend te worden dat de Supreme Court niet inhoudelijk naar de zaak kijkt, maar enkel naar de toepassing van het recht door de lagere rechtbanken en de eventuele aanwezigheid van procedurele of vormfouten.

5. Doodstraf

In Indonesië kan men veroordeeld worden tot de doodstraf. Volgens het Wetboek van Strafrecht kan de doodstraf onder andere opgelegd worden voor misdrijven gerelateerd aan moord (artikel 340, 365, 444), misdrijven tegen de staatsveiligheid (artikel 111, 123, 124, 127, 140), moord op de President of de Vice President (artikel 104), drugsgerelateerde misdrijven (Law on Narcotics), misdrijven tegen de menselijkheid, zoals genocide (Law on Human Rights Courts) en misdrijven gerelateerd aan terrorisme (Law on Combating Criminal Acts of Terrorism).

Op basis van onderzoek in 2008 wordt vermoed dat er 112 gevangenen ter dood veroordeeld zijn. Hiervan wordt vermoed dat er minimaal 30 personen ter dood veroordeeld zijn voor drugsgerelateerde delicten. Er zijn ook buitenlandse gevangenen ter dood veroordeeld en in afwachting van hun executie. De inschatting van het aantal ter dood veroordeelden is echter moeilijk te maken, aangezien de Indonesische overheid geen officiële cijfers vrij geeft. De ter dood veroordeelden zitten vaak in een jarenlange onzekerheid of en wanneer de executie plaats zal vinden. Zij leven vaak jarenlang in erbarmelijke omstandigheden in deze onzekerheid, het wachten en de dood die als het zwaard van Damokles boven het hoofd hangt. De doodstraf wordt in Indonesië uitgevoerd door middel van een vuurpeloton. De afgelopen tien jaar zijn er nauwelijks executies uitgevoerd. De doodstraf is voor het laatst toegepast in 2008. Toen werden Ali Gufron, Imam Samudra en Amrozi Nurhasyim geëxecuteerd voor hun rol in de bomexplosie op Bali in 2002.

Het toepassen van de doodstraf is zeer omstreden. In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) wordt het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Voor de doodstraf is er namelijk een uitzondering gemaakt. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf alleen uitgevoerd zou moeten worden voor de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden.

Tegenstanders stellen dat de zwakte van de doodstraf in de onomkeerbaarheid zit. Bovendien is, zeker wanneer het functioneren van het juridische systeem van Indonesië onder de loep genomen wordt, de kans op onterechte veroordeling van onschuldigen aanwezig. Uit rapportages van mensenrechtenorganisaties blijkt dat er in Indonesië lang niet altijd sprake is van een eerlijk proces, zoals dat in internationale wetgeving is vastgelegd. Verklaringen worden verkregen door middel van marteling, de toegang tot juridische bijstand of een tolk wordt de verdachte ontzegd etc. Dit maakt de handhaving van de doodstraf als sanctie nog minder wenselijk.

Bovendien wordt ook het afschrikkende effect van de doodstraf in vele criminologische studies betwijfeld. Uit onderzoek gebleken dat de doodstraf niet effectiever is in het afschrikken van potentiële criminelen dan andersoortige straffen.


Referenties

  • Amnesty International (2004). Indonesia: a briefing on the death penalty.
  • Amnesty International (2008). Indonesia: Amnesty International report: 2008.
  • D. Fitzpatrick (2008). Culture, ideology and human rights: The case of Indonesia’s Code of Criminal Procedure. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • Human Rights Watch (1990). Prison conditions in Indonesia. New York: Human Rights Watch.
  • Human Rights Watch (2009). Human Rights Report: Indonesia.
  • J. Herbert (2008). The legal framework of human rights in Indonesia. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • J.M. Otto (2006). Sharia en nationaal recht in Indonesië. In: Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp.269-302.
  • M. Termorshuizen-Arts (2000). Een Indonesisch juridisch woordenboek. In: Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde, 156 (1), pp. 57-82.
  • T. Lindsey & M.A. Santosa (2008). The trajectory of law reform in Indonesia: A short overview of legal systems and change in Indonesia. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • United Nations (2008). Mission to Indonesia: Report of the special rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment.
  • The Republic of Indonesia (1981). Lawbook on the Code of Criminal Procedure.
  • The Republic of Indonesia (1982). Penal Code of Indonesia.
  • The Republic of Indonesia (2009). Narcotics Law.

Knelpunten rechtsgang in Indonesië

1. Corruptie van de politie

De politie wordt in Indonesië gezien als een corrupte en onbetrouwbare organisatie. Zo blijkt uit vele bronnen dat omkoping, afpersing en corruptie het handelen van de politie in Indonesië kenmerkt. Het omkopen van agenten om vervolging te voorkomen is aan de orde van de dag. Sterker nog, het blijkt dat sommige politiedepartementen populairder zijn dan andere departementen omdat deze lucratiever zijn. Er zijn verhalen bekend dat de meest populaire baan binnen het politiekorps de verkeerspolitie is. Daar is immers het meeste geld te verdienen doordat mensen hun overtredingen ‘afkopen’. De corruptie van de politie komt ook op andere momenten naar boven. Tijdens de politiedetentie blijkt omkoping noodzakelijk te zijn om voedsel te verkrijgen, maar ook voor het krijgen van een bed, medische hulp en het hebben van contact met familieleden. Een verklaring voor de normalisatie van de corruptie binnen de politie kan gevonden worden in de slechte arbeidsomstandigheden en minimale salarissen van politieagenten.

2. Lange duur en overcrowding politiedetentie

Volgens het Wetboek van Strafprocesrecht mogen verdachten in bepaalde gevallen gedurende 61 dagen gevangen gehouden worden in de politiecellen alvorens zij voor een rechter verschijnen. In praktijk blijkt het voorarrest van 61 dagen echter een standaardprocedure. De omstandigheden in de politiecellen zijn dikwijls voldoende voor een kort verblijf, voor een langer verblijf schieten de faciliteiten van de politiedetentie echter tekort. Dit langere verblijf in politiedetentie kan de kans op ill treatment vergroten. Tevens kan het zo zijn dat de zichtbare sporen van fysieke mishandeling verdwenen zijn tegen de tijd dat de verdachte na 61 dagen uit de politiedetentie vrijgelaten wordt verdwenen zijn. Dit kan een eventuele klachtenprocedure bemoeilijken.

Gezien de lange voorarrestperiode is er vaak sprake van overcrowding van de politiecellen. Dit kan resulteren in onmenselijke en mensonterende omstandigheden. In tegenstelling tot de internationaal geldende mensenrechten zijn er in de politiedetentie vaak geen gescheiden faciliteiten voor mannen, vrouwen en kinderen. Het gebrek aan gescheiden faciliteiten kan een risico op onderlinge mishandeling en seksueel misbruik veroorzaken. Voornamelijk de vrouwen en de kinderen lopen hierdoor een verhoogde kans op slachtofferschap.

3. Ill treatment door politie

Uit een uitgebreid rapport van Amnesty International (2009) blijkt dat het functioneren van de politie in Indonesië dikwijls gepaard gaat met grove mensenrechtenschendingen. Volgens Amnesty International is er sprake van een patroon van misdragingen van de politie jegens bepaalde groepen in de samenleving. Hierbij gaat het om de zwakkere groepen uit de samenleving, zoals kinderen, vrouwen, veelplegers en prostituees. De misdragingen van de politie jegens deze groepen zijn bijvoorbeeld excessief verbaal en fysiek geweld tijdens de arrestatie, het excessieve gebruik van vuurwapens, het verlenen van minimale toegang tot medische diensten tijdens de politiedetentie en marteling en ill treatment tijdens de arrestatie, de ondervraging en de detentie. Ook komt uit verschillende bronnen naar voren dat de politie tijdens het verhoren fysiek geweld gebruikt om de verdachten te dwingen tot een bekentenis of het leveren van bewijs tegen derden. Bovendien worden verdachten veelvuldig door middel van fysiek geweld gedwongen tot het tekenen van documenten. Dit fysieke geweld kan onder andere bestaan uit slaan met vuisten, stokken, kettingen, kabels en buizen, schoppen met zwaar schoeisel, elektrocutie en het schieten in de benen. Uit ditzelfde rapport blijkt dat ook de militaire politie, die bij uitzondering ook ingezet kan worden voor politietaken, zich veelvuldig schuldig maakt aan grove mensenrechtenschendingen tijdens het uitvoeren van de politietaak.

Een verklaring voor de veelvuldige mensenrechtenschendingen door politie en leger kan gevonden worden in de gebrekkige educatie van politieagenten en militairen. Er is onvoldoende voorlichting over mensenrechten en gedragscodes binnen deze organisaties. Hetgeen het disfunctioneren van de politie nog problematischer maakt is de mate van straffeloosheid in de praktijk. In het Wetboek van Strafrecht wordt de ill treatment van mensen strafbaar gesteld. In praktijk zijn er echter nauwelijks vervolgingen, laat staan veroordelingen van politieambtenaren of militairen die zich aan dit vergrijp schuldig hebben gemaakt. In enkele gevallen zijn politieagenten, gevangenisbewaarders of militairen vervolgd via de civiele weg. De meeste politieagenten die schuldig zijn bevonden hebben een interne disciplinaire sanctie gekregen. Hierbij moet gedacht worden aan een waarschuwingsbrief, uitstel van promotie of de oplegging van een korte gevangenisstraf. Het gebrek aan vervolging en veroordeling kan onder andere voortkomen uit het gebrek aan een onafhankelijke commissie die op een effectieve manier controle uitoefent en eventuele misstanden onderzoekt en veroordeeld. Er is geen onafhankelijke klachtencommissie voor burgers die willen klagen over het functioneren van politieambtenaren. De klachten moeten momenteel bij de politie, waarover juist geklaagd wordt ingediend worden. Verwacht kan dan ook worden dat burgers van deze manier van klagen liever geen gebruik maken of durven te maken.


Referenties

  • Amnesty International (2008). Indonesia: Amnesty International report: 2008.
  • Amnesty International (2009). Report: Unfinished business, police accountability in Indonesia.
  • United Nations (2008). Mission to Indonesia: Report of the special rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment.
  • United Nations Committee against Torture (2008). Concluding observations of the committee against torture.

4. Gebrekkige toegang tot juridische bijstand en een tolk in alle fasen

In artikel 54, 55, 56, 62, 69, 70, 71 en 115 van het Wetboek van Strafprocesrecht is het recht op juridische bijstand in alle fasen van het onderzoek vastgelegd. Verdachten hebben tevens recht op de bijstand van een tolk wanneer dit nodig is om het onderzoek volledig te begrijpen (artikel 53). Opgemerkt dient te worden dat het recht op juridische bijstand in de Indonesische strafwet alleen betrekking heeft op werkdagen. Wanneer de arrestatie in het weekend geschiedt, is men niet verplicht de verdachte in contact te brengen met juridische bijstand, dit kan dan wachten tot de eerstvolgende werkdag. In principe is er sprake van vertrouwelijkheid in de communicatie tussen raadsheer en cliënt. Het Indonesische Strafprocesrecht heeft echter uitzonderingen geformuleerd. Zo mag de relatie tussen raadsheer en cliënt nauwlettend ‘in de gaten gehouden’ worden, wanneer de vermoedens bestaan dat deze relatie misbruikt wordt (artikel 70). Deze bepaling kan zorgen voor een inperking van het recht op vertrouwelijk communicatie, nergens is immers bepaald hoe sterk deze vermoedens moeten zijn en waar ze op gebaseerd moeten zijn.

Tegenstrijdig aan internationaal en nationaal geldend recht blijkt uit verschillende onderzoeken van Amnesty International en Human Rights Watch dat verdachten regelmatig de toegang tot een advocaat of tolk ontzegd wordt. Hierbij gaat het voornamelijk om de eerste fase van de arrestatie, de verhoren en het onderzoek voorafgaand aan de terechtzitting. In sommige gevallen hebben de verdachten geen juridische bijstand omdat zij hun rechten niet kennen. In de meeste gevallen ontbreekt juridische bijstand echter vanwege een gebrek aan beschikbare advocaten.


Referenties

  • Amnesty International (2004). Indonesia: a briefing on the death penalty.
  • Amnesty International (2008). Indonesia: Amnesty International report: 2008.
  • D. Fitzpatrick (2008). Culture, ideology and human rights: The case of Indonesia’s Code of Criminal Procedure. In: Indonesia: Law and society. Sydney: The Federation Press.
  • Human Rights Watch (1990). Prison conditions in Indonesia. New York: Human Rights Watch.
  • The Republic of Indonesia (1981). Lawbook on the Code of Criminal Procedure.

5. Corruptie van de rechterlijke macht

In principe zou het Indonesische systeem een onafhankelijke rechterlijke macht moeten verzekeren. Helaas blijkt uit bronnen dat het gerechtelijke systeem onderhevig is aan invloed van buitenaf (politici, bedrijfsleven en leger) en corruptie. Er zijn verhalen bekend dat het Openbaar Ministerie tegen betaling aanklachten heeft laten vallen. Tevens zijn er verhalen bekend van rechters die tegen betaling vrijspraken of een lichtere straf oplegden. Een verklaring voor de grote mate van corruptie kan onder andere gevonden worden in de lage salarissen die rechters ontvangen. Door de lage salarissen worden de rechters gestimuleerd om steekpenningen en geldbedragen te accepteren. Ook blijken de rechters gevoelig te zijn voor de druk vanuit de overheid, en lijken zij hun besluiten te laten beïnvloeden door deze druk.


Gevangenissen

Er zijn in Indonesië 442 gevangenissen. Van het totale aantal gevangenen (uit recente telling blijkt meer dan 140.000) is ongeveer
5% vrouwelijk. Er zijn drie verschillende categorieën gevangenissen. Gevangenissen met een capaciteit van meer dan 500 gevangenen (categorie 1), gevangenissen met een capaciteit van 250-500 gevangenen (categorie 2) en gevangenissen met een capaciteit tot 250 gevangenen (categorie 3).

Over het algemeen zijn de gevangenissen opgedeeld in verschillende blokken, waarin verschillende soorten verdachten en veroordeelden vast zitten. Verdachten die in afwachting zijn van hun terechtzitting verblijven in andere blokken binnen de gevangenis dan de veroordeelde gevangenen. Ook is er vaak sprake van een politieke afdeling, een speciale afdeling voor de ter dood verdeelden etc. In praktijk delen, vanwege het ruimtegebrek, verschillende soorten verdachten en veroordeelden dezelfde cellen.

Volgens de minimumregels van de United Nations zouden vrouwen en jeugdigen afzonderlijk van volwassene mannelijke gevangenen moeten verblijven. In Indonesië het streven om in grote gevangenissen een afzonderlijk vrouwen- en een afzonderlijk jeugdblok te hebben. In praktijk blijkt dit echter niet altijd het geval te zijn. Vaak is er in de buurt van de plek waar de jeugdige of de vrouw veroordeeld is geen gevangenis met een aparte afdeling. Veel jeugdige en vrouwelijke gedetineerden worden derhalve in de gevangenissen bij de mannen geplaatst. Aangezien vrouwen en jeugdigen een kwetsbare groep vormen, maakt deze samenplaatsing het risico om fysieke, verbale en seksuele mishandeling groot.

1. Omstandigheden gevangenissen

De meeste gevangenissen zijn tijdens de Nederlandse koloniale periode gebouwd. Doordat deze gevangenissen lang geleden gebouwd zijn, zijn de gebouwen, cellen en faciliteiten vaak vervallen, ongeschikt en onveilig voor het verblijf van gevangenen. De hoeveelheid ventilatie en daglicht verschilt per gevangenis. Vanzelfsprekend is een goede ventilatie en de binnenkomst van daglicht in de cellen van groot belang om het verspreiden van ziekten te voorkomen, bovendien komt het ook de hygiëne binnen de gevangenis ten goede. Er zijn verhalen bekend dat de cellen geen ramen hadden, waardoor ventilatie bemoeilijkt en daglicht onmogelijk werd.

De beoordeling van de omstandigheden van gevangenissen vinden regelmatig plaats door vertegenwoordigers van de United Nations en Human Rights Watch. Hierbij gaat het meestal om aangekondigde bezoeken aan gevangenissen en politiedetenties. Er moet rekening gehouden worden met een vertekening van de observaties, doordat het zo zou kunnen zijn dat de omstandigheden aangepast worden wanneer er een dergelijk comité controles uit komt voeren in de gevangenissen. De omstandigheden in de gevangenissen verschillen onderling naar regio en soort gevangenis. Een verklaring hiervoor kan onder andere gevonden worden in de vrijheid die de verschillende gevangenisdirecteuren hebben in het bepalen van de huisregels van een gevangenis. Hierdoor kan er een discrepantie ontstaan in het beleid van de verschillende gevangenissen.

2. Overcrowding

Het Indonesische gevangenissysteem is onderhevig aan een grote mate van overcrowding. De 442 gevangenissen die Indonesië rijk is, zijn ontworpen met een capaciteit van 80.000 gedetineerden. Uit een recente telling (2010) blijkt echter dat er in deze gevangenissen meer dan 140.000 gedetineerden verblijven. Uit andere bronnen blijkt dat de gevangenispopulatie in 2005 119% van de capaciteit besloeg, in 2006 besloeg de populatie 125%, in 2007 154% en in 2008 besloeg de gevangenispopulatie 162% van de capaciteit. Uit een onderzoek van 2006 blijkt dat er in één van de gevangenissen in centraal Jakarta een gevangenispopulatie is van 4562 gevangenen, terwijl de capaciteit 826 personen is. Niet alleen in gevangenissen, maar ook in de politiedetentiecellen en de cellen waar de verdachten in voorarrest zitten is overcrowding een groot probleem. Dit is voornamelijk te verklaren door de lange periode van voorarrest, in afwachting van het onderzoek ter terecht zitting, wat het tekort aan cellen alleen maar verergerd.

De overcrowding kan gevolgen hebben voor de hygiëne en gezondheid van de gevangenen. Zo is er dikwijls te weinig voedsel en water, te weinig ruimte, te weinig slaapgelegenheid en te hygiënische middelen. Doordat de cellen en gevangenissen overvol zitten kunnen ziektes en bacteriën zich snel vermenigvuldigen en zijn grote uitbraken van ziektes eerder regel dan uitzondering. De laatste jaren is de problematiek die samenhangt met overcrowding onder de aandacht gekomen van de overheid en is er besloten over te gaan tot de bouw van extra detentievoorzieningen, om de bestaande gevangenissen te ontlasten.

3. Gezondheid

Eén van de gevolgen die de eerdergenoemde overcrowding van de gevangenissen met zich mee brengt zijn gevaren voor de gezondheid van de gedetineerden. Door de overcrowding verspreiden ziektes zich snel een gemakkelijk. Voornamelijk de verspreiding van Tuberculose (TBC) onder gedetineerden gaat heel snel. Voor de verspreiding is geen direct fysiek contact noodzakelijk, ademen en hoesten is genoeg voor een snelle verspreiding. De verspreiding van TBC wordt nog meer versneld door verschillende omstandigheden in de gevangenissen, zoals het gebrek of tekort aan medische hulp, het gebrek aan preventie, slechte hygiënische omstandigheden en een gebrek aan aandacht voor TBC.

Tevens zijn er veel gevangenen HIV besmet. De besmetting wordt veelvuldig doorgeven door intraveneus druggebruik en onderling seksueel contact. Gedetineerden die HIV besmet zijn hebben behoefte aan goede medische hulp. Binnen de Indonesische gevangenissen blijkt de medische hulp echt niet toereikend te zijn bovenzien blijkt er een tekort te zijn aan medicijnen. Een ander veelvoorkomend probleem is huidproblemen en irritaties door het gebrek aan persoonlijke hygiëne en het gebruik van harde zeep en vies water. Wanneer een gevangene komt te overlijden in de gevangenis, is een autopsie niet verplicht. Hierdoor komt de doodsoorzaak vaak niet aan het licht.

4. Medische hulp

Uit bronnen blijkt dat de medische hulpverlening binnen de Indonesische gevangenissen onvoldoende is. In veel gevangenissen is er geen dokter aanwezig en ook de toegang tot ziekenhuizen blijkt zeer gebrekkig te zijn. Bovendien zijn medicijnen niet of nauwelijks beschikbaar voor de gevangenen, tenzij zij bereid zijn er flink voor te betalen. Een verklaring voor het gebrek aan medische hulp kan gevonden worden in het onvoldoende budget dat vanuit de overheid beschikbaar wordt gesteld voor de medische zorg voor gevangenen.

5. Drinkwater en voedsel

In de Minimumregels van de United Nations staat in artikel 20 dat iedere gevangene het recht heeft op voldoende voedsel met een voldoende voedingswaarde, op een adequate manier voorbereid. Uit onderzoek blijkt echter dat de voedselvoorzieningen in Indonesische gevangenissen veelal te wensen overlaten. Hierbij moet gedacht worden aan te kleine porties, oneerlijk verdeelde porties, gevangenenbewakers die voedsel voor zichzelf houden en ongezond voedsel. In de voedselvoorziening blijkt de corruptie van de gevangenenbewakers wederom een rol te spelen. Rijke gevangenen kunnen grotere en voedzamere porties kopen van de bewakers dan armere gevangenen. Deze gebrekkige voedselvoorziening kan verklaard worden doordat de werkomstandigheden van de gevangenbewaarders dikwijls slecht zijn. De gevangenenbewaarders krijgen een minimaal salaris, waardoor het beslag leggen op voedsel voor het eigen gezin heel verleidelijk wordt.

6. Sanitaire voorzieningen

In de Minimumregels van de United Nations wordt in artikel 12, 13 en 15 verzekerd dat gedetineerden recht hebben op adequate en schone sanitaire voorzieningen, voldoende mogelijkheden tot douchen en toegang hebben tot voldoende en adequate toiletartikelen.

De kwaliteit van de sanitaire voorzieningen in Indonesische gevangenissen verschillen tussen de gevangenissen onderling. Uit bronnen blijkt echter dat de sanitaire voorzieningen vaak ernstig tekort schieten. Vanwege de overcrowding moeten de sanitaire voorzieningen vaak gedeeld worden met veel gevangenen. Bovendien trekken de sanitaire voorzieningen muggen en ander ongedierte aan. Een veel gehoorde klacht is het gebrek aan zeep, dit gaat ten koste van de persoonlijke hygiëne van de gevangenen. Bovendien blijkt dat de zeep die voorhanden is van een dermate slechte kwaliteit te zijn dat de gevangenen vaak huidproblemen hebben.

7. Contact met de buitenwereld

Het contact houden met de buitenwereld is van groot belang voor de latere rehabilitatie en re-integratie in de maatschappij van de gevangenen. Officieel hebben gevangenen 15 minuten per week recht op bezoek van familie, vrienden of naasten. De gevangenen zijn vaak voor hun basale behoeften (voedzaam voedsel, zeep, slaapgerei, matrassen, lakens, medicijnen) afhankelijk van familie en bekenden. Het is dan ook van groot belang dat de gevangenen in de buurt van hun naasten gevangen gehouden worden, zodat deze bezoeken mogelijk zijn. De meeste grote gevangenissen zijn vlakbij de grote steden gevestigd, wat bezoek makkelijker maakt. Wanneer een gevangene overgeplaatst wordt naar een andere gevangenis kan dit voor de voldoening van zijn basisbehoeften desastreus zijn. Dit kan immers betekenen dat de bezoeken van de naasten niet meer mogelijk zijn. Bij wijze van disciplinerende bestraffing worden de bezoeken van familie of naasten ingekort of zelfs voorkomen door de gevangenisbewakers, met alle gevolgen van dien. De gevangenen mogen post versturen en ontvangen, deze post wordt echter vaak gecensureerd door de gevangenenbewakers.

8. Bestraffing en ordehandhaving (Ill treatment in de gevangenis)

Volgens artikel 31 van de Minimumregels van de United Nations hebben gevangenen het recht gevrijwaard te blijven van ill treatment, lijfstraffen en overige disproportionele, wrede en onmenselijke disciplinerende straffen. In de Indonesische gevangenissen blijken ill treatment en fysieke straffen echter aan de orde van de dag te zijn. Fysieke mishandeling, zonder een directe aanleiding, komt veel voor binnen de muren van de gevangenissen. Gevangenisbewaarders gebruiken vaak fysiek geweld tegenover de gevangenen ter ordehandhaving of als de gevangenisregels verbroken worden. Deze bestraffingen met fysiek geweld vinden veelal in het openbaar plaats, zodat er een afschrikkende werking vanuit gaat op de andere gevangenen. Ook is er veelal sprake van fysiek geweld tussen de gevangenen onderling. De gebrekkige medische voorzieningen in de gevangenissen maakt deze fysieke mishandeling nog zorgwekkender, aangezien de verwondingen vaak niet adequaat verzorgd worden.

Bovendien worden ook andersoortige disciplinerende straffen gebruikt. Zoals het kaalscheren van hoofden, het onthouden van voedsel en drinkwater, langdurige eenzame opsluiting in een isoleercel en het onthouden van sanitaire voorziening. Ook het onthouden van contact met de buitenwereld (ontvangen en versturen van post, ontvangen van bezoek) behoort tot het sanctiearsenaal.

Een mogelijke verklaring voor de ill treatment van gevangenen door gevangenisbewaarders kan gevonden worden in de slechte arbeidsomstandigheden, de gebrekkige educatie en de minimale salarissen van de bewaarders. De gevangenisbewaarders wonen vaak in overvolle accommodaties met hun families en hebben last van voedseltekorten. Deze omstandigheden kunnen er toe leiden dat de gevangenisbewaarders hun toevlucht nemen tot corruptie, wreedheid en het verduisteren van voedsel. Bovendien zijn de bewakers in controle over het leven van anderen en oefenen zij deze macht uit buiten het zicht van het publiek, deze factoren kunnen ook zorgen voor de verleiding van ill treatment. Andere verklaringen voor het vele voorkomen van ill treatment kunnen gezocht worden in het feit dat marteling niet strafbaar gesteld wordt in de Indonesische wet, er te weinig energie gestoken wordt in preventie, er nauwelijks sprake is van publieke verwerping van ill treatment, er geen onafhankelijk controle mechanisme is op het voorkomen van ill treatment, er geen onafhankelijke klachten commissie is voor slachtoffers van ill treatment en er in praktijk sprake is van straffeloosheid.

9. Corruptie

Ook het gevangeniswezen en de detentie is onderhevig aan corruptie. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat de corruptie de mate en kwaliteit van voedselvoorziening, sanitaire voorzieningen, gezondheidszorg en bezoekregelingen beïnvloed. Wanneer een gevangene de gevangenisbewaarders kan omkopen zijn de faciliteiten van hogere kwaliteit zijn dan als een gevangene de gevangenisbewaarders niet kan omkopen. Dit principe is in strijd met de gelijkheid en veroorzaakt discriminatie en ongelijke behandeling van de gevangenen.


Referenties

  • Amnesty International (2008). Indonesia: Amnesty International report: 2008.
  • C. Tambunan (2009). Indonesia’s appalling prison conditions.
  • Human Rights Watch (1990). Prison conditions in Indonesia. New York: Human Rights Watch.
  • IRIN (2010). Indonesia: overcrowding fuels TB in prisons.
  • N. Osman (2010). Overcrowded prisons still top of the agenda.
  • United Nations (1955). Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners.
  • United Nations (2008). Mission to Indonesia: Report of the special rapporteur on torture and other cruel, inhuman or degrading treatment or punishment.

Conclusie

Helaas is het zo dat er in Indonesië een grote discrepantie is tussen wat er voorgeschreven wordt door Internationale wetgeving, de Grondwet, het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafprocesrecht en hetgeen er in de praktijk gebeurt.