Cambodja

Artikelindex

Internationale verdragen en geldende mensenrechten

De afgelopen decennia zijn de mensenrechten in Cambodja in ontwikkeling. Steeds meer mensenrechten worden in Cambodja gewaarborgd en Cambodja is verdragspartij bij verschillende internationale verdragen ter bescherming van de rechten van de mens. De volgende verdragen zijn door Cambodja getekend en geratificeerd: het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR, ondertekend in 1980, geratificeerd in 1992) en the United Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT, getekend en geratificeerd in 1992).

2.1 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR)
Zoals eerder gesteld is het IVBPR ondertekend door de Cambodjaanse overheid. Dit betekent dat dit verdrag een directe gelding heeft in het Cambodjaanse recht. In het IVBPR worden diverse rechten en vrijheden van burgers vastgelegd. Een inbreuk op deze fundamentele vrijheden en rechten van de mens is in strijd met internationaal recht.

Onder andere de volgende burgerrechten zijn vastgelegd in het IVBPR: het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie, het recht om gevrijwaard te blijven van foltering en wrede of inhumane behandeling of bestraffing, het recht op menselijke behandeling wanneer iemand van zijn vrijheid beroofd wordt en het recht op gelijke behandeling. In het IVBPR staat ook vastgelegd dat er een juridische grond nodig is om iemand te kunnen veroordelen voor een bepaald feit.

In het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) wordt het recht op leven gegarandeerd. Dit wil echter niet zeggen dat de doodstraf in strijd is met internationaal recht. Artikel 6 van het IVBPR stelt namelijk dat de doodstraf uitgevoerd mag worden, mits de doodstraf beperkt wordt tot de meest zware misdrijven. Hieruit moet gelezen worden dat de doodstraf alleen in zeer uitzonderlijke gevallen opgelegd zou moeten worden.

Uit het IVBPR vloeien ook een aantal procedurele rechten voort. Hierbij moet gedacht worden aan het recht om onmiddellijk geïnformeerd te worden van de reden van de arrestatie, het recht om de rechtmatigheid van detentie te laten bepalen, het recht om binnen een redelijke termijn berecht te worden en het recht om onschuldig gehouden te worden totdat de schuld bewezen is.

Bovendien worden er in het IVBPR een aantal minimumgaranties gesteld waar een ieder recht op heeft bij een ingestelde strafvervolging (artikel 9 IVBPR). Deze minimumgaranties behelzen onder andere: het recht onmiddellijk op de hoogte gesteld te worden van de beschuldiging, het recht op toegang tot een zelfgekozen raadsman, het recht om zonder onredelijke vertraging berecht te worden, het recht op rechtsbijstand in alle fasen van de vervolging, het recht getuigen te ondervragen en getuigen op te roepen, het recht op een tolk en het recht om niet gedwongen te worden tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

2.2 The United Nations Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT)
Cambodja is verdragspartij bij de UN Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (UNCAT). Dit verdrag ziet erop toe dat een ieder in de verdragslanden gevrijwaard blijft van marteling, mishandeling, wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing.

Uit rapportages van de UN blijkt helaas dat, ook al heeft Cambodja het UNCAT verdrag ondertekend, in de praktijk er toch regelmatig sprake is van mishandeling van verdachten, veroordeelden, gevangenen en overige kwetsbare groepen in de samenleving.

Ook blijkt de nationale wetgeving (het strafrecht en het strafprocesrecht) niet geheel toereikend te zijn om het verbod op marteling, mishandeling en wrede en onmenselijke behandeling en bestraffing te handhaven. Zo stelt het Cambodjaanse strafrecht marteling wel strafbaar, maar het begrip 'marteling' wordt nergens gedefinieerd. Dit maakt bestraffing van handelingen onder de noemer 'marteling' heel lastig. Bovendien blijkt uit de rapportage van de UN dat, als er aangifte of melding gedaan wordt door gedetineerden van marteling of mishandeling, hier vaak geen gehoor aan wordt gegeven. Er is haast nooit sprake van een gedegen, onafhankelijk onderzoek van deze klachten. En als het al tot een onderzoek komt is vervolging en bestraffing van de politie/gevangenismedewerker/rechtshandhaving medewerker zeer zeldzaam. Marteling en mishandeling blijft in praktijk vaak onbestraft.

De naleving van het UNCAT verdrag laat in Cambodja dus te wensen over. In de toekomst zal de Cambodjaanse wet aangepast moeten worden en zal er nog strikter moeten worden toegezien op de naleving van het UNCAT verdrag.

2.3. Naleving van internationale mensenrechtenverdragen
Het op papier erkennen van mensenrechten iets anders is dan het in praktijk beschermen van de mensenrechten. Daarom is het van belang dat de naleving van de internationale mensenrechtenverdragen gecontroleerd wordt.

De United Nations houdt toezicht op de naleving van de verdragen. Hiertoe de verdragspartijen moeten regelmatig verslag doen bij de United Nations over hoe de naleving van het verdrag in praktijk uitpakt. Ook doen de controlerende bureaus van de UN zelf onderzoek. Zij rapporteren regelmatig over de stand van zaken in het verdragsland. In hoeverre is er sprake van mensenrechtenschending en schending van het UNCAT verdrag? Op grond van dit onderzoek brengen de rapporteurs een advies uit aan het land, hoe de mensenrechtenschendingen nog beter voorkomen kunnen worden. Ook kan de UN technische ondersteuning bieden voor de implementatie van de mensenrechtenverdragen in het verdragsland.

2.4 Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners
In 1955 zijn de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners opgesteld door de United Nations. Dit verdrag is niet bindend, maar geeft richtlijnen aan voor de behandeling van gevangenen en de omstandigheden in gevangenissen.

Zo worden richtlijnen gesteld ten aanzien van de accommodatie van de gevangenen (bijvoorbeeld een eigen cel, voldoende ventilatie, voldoende licht, voldoende sanitaire voorzieningen). Tevens worden richtlijnen opgesteld ter bescherming van de persoonlijke hygiëne van gevangenen, de kleding en slaapplekken van gevangenen, het voedsel en drinkwater, de mogelijkheid tot lichaamsbeweging en de toegang tot medische hulpverlening. Ook zijn er richtlijnen in dit verdrag opgenomen die betrekking hebben op de bestraffing en disciplinering van gevangenen. Volgens de richtlijnen zou er in iedere gevangenis de mogelijkheid moeten zijn om bij een onafhankelijke commissie klachten in te dienen. Ook wordt gesteld dat gevangenen contact met de buitenwereld moeten kunnen onderhouden en vrij moeten zijn in het belijden van godsdienst.

Opgemerkt dient te worden dat de Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners enkel richtlijnen zijn. Deze richtlijnen zijn niet van rechtswege afdwingbaar. Overheden zijn niet verplicht zich aan deze richtlijnen te houden. Helaas blijken de richtlijnen in Cambodja meer utopie dan praktijk. Dit zal onder andere blijken uit het hoofdstuk over de omstandigheden van de gevangenissen en de behandeling van gevangenen in Cambodja.

2.5 WOTS
Cambodja is tot op heden geen verdragspartij bij het WOTS verdrag (Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen). Dit verdrag maakt het voor de gevangene, onder bepaalde omstandigheden, mogelijk om (een deel van) hun straf uit te zitten in een Nederlandse gevangenis. Voor de toekomst zijn er voornemens om een dergelijk verdrag ook tussen Nederland en Cambodja op te stellen en te tekenen.

Momenteel heeft Cambodja wel uitleveringsverdragen getekend met Thailand, Laos, China, Australië en Zuid Korea. Alleen verdachten die een delict gepleegd hebben waar minimaal 1 jaar gevangenisstraf op staat (zowel in Cambodja als in het verzoekende land) komen in aanmerking voor uitlevering. Er zijn verschillende weigeringsgronden voor uitlevering geformuleerd in de verdragen. Zo worden mensen met de Khmer nationaliteit in principe niet uitgeleverd aan de verdragspartijen. Andere weigeringsgronden zijn humanitaire redenen, als het delict niet strafbaar is gesteld in het verzoekende land, als er een gevaar op dubbele berechting (zowel in Cambodja als in het verzoekende land) bestaat. Voor verdachten van politieke delicten in Cambodja is per definitie geen uitlevering mogelijk naar de verdragslanden. Om in aanmerking te komen voor uitlevering moet een schriftelijk verzoek ingediend worden. Dit verzoek wordt beoordeeld door de Cambodjaanse overheid. Indien het verzoek om uitlevering afgewezen wordt, moet deze afwijzing uitgelegd worden. Het is niet bekend hoeveel gedetineerden Cambodja al uitgeleverd heeft aan Thailand, Laos, China, Australië en Zuid Korea.


Referenties

  • Ministerie van Justitie (1986). Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen.
  • UN Committee Against Torture (2011). Concluding observations of the Committee against Torture : Cambodia
    Geraadpleegd via: www.unhcr.org
  • United Nations (1984). Convention against Torture and other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment.
  • United Nations (1966). International Convenant on Civil and Political Rights.
  • United Nations (1955). Standard Minimum Rules for the Treatment of Prisoners.
  • www.oecd.org
  • Extradition treaty between the Kingdom of Cambodia and the Kingdom of Thailand.
    Geraadpleegd via: http://www.sithi.org